uitstellen
Narzędzia
Działania
Ogólne
Drukuj lub eksportuj
W innych projektach
czasownik przechodni, słaby, rozdzielnie złożony
deelwoord | ||
---|---|---|
onvoltooid | uitstellend | |
voltooid | uitgesteld | |
indicatief | ||
persoon | onvoltooid | voltooid |
tegenwoordige tijd | ||
ik | stel uit | heb uitgesteld |
jij (je) | stelt uit | hebt uitgesteld |
u | stelt uit | hebt uitgesteld |
gij | stelt uit | hebt uitgesteld |
hij zij (ze) het | stelt uit | heeft uitgesteld |
wij (we) | stellen uit | hebben uitgesteld |
jullie | ||
zij (ze) | ||
verleden tijd | ||
ik | stelde uit | had uitgesteld |
jij (je) | ||
u | ||
gij | hadt uitgesteld | |
hij zij (ze) het | had uitgesteld | |
wij (we) | stelden uit | hadden uitgesteld |
jullie | ||
zij (ze) | ||
tegenwoordige toekomende tijd | ||
ik | zal uitstellen | zal uitgesteld hebben |
jij (je) | zal uitstellen zult uitstellen | zal uitgesteld hebben zult uitgesteld hebben |
u | zal uitstellen zult uitstellen | zal uitgesteld hebben zult uitgesteld hebben |
gij | zult uitstellen | zult uitgesteld hebben |
hij zij (ze) het | zal uitstellen | zal uitgesteld hebben |
wij (we) | zullen uitstellen | zullen uitgesteld hebben |
jullie | ||
zij (ze) | ||
verleden toekomende tijd | ||
ik | zou uitstellen | zou uitgesteld hebben |
jij (je) | zou uitstellen zult uitstellen | zou uitgesteld hebben |
u | zou uitstellen zoudt uitstellen | zou uitgesteld hebben zoudt uitgesteld hebben |
gij | zoudt uitstellen | zoudt uitgesteld hebben |
hij zij (ze) het | zou uitstellen | zou uitgesteld hebben |
wij (we) | zouden uitstellen | zouden uitgesteld hebben |
jullie | ||
zij (ze) | ||
conjunctief | ||
taal | tegenwoordige tijd | verleden tijd |
enkelvoud | stelle uit | stelde uit |
meervoud | stellen uit | stelden uit |
imperatief | ||
jij (je) | stel uit | |
jullie | stel uit |