Tribuun (Latijn:tribunus,ByzantijnsGrieksτριβούνος "tribounos") was in hetoude Rome de titel van diverse ambtsdragers, waarvan de belangrijkste dekrijgstribuun en devolkstribuun waren.
De Latijnse termtribunus stamt af vantribus ("stam") en betekende letterlijk "hoofdman van eentribus", of in ruimere zin "(groeps)hoofd". De oude stadstaat Rome bestond oorspronkelijk uit driepatricische stammen: deTities, deRamnes en deLuceres. Aan het hoofd van elke stam stond een tribuun, die in geval van oorlog gezamenlijk eenlegioen aanvoerden. Tijdens hetRomeins koninkrijk was detribunus celerum de aanvoerder van deceleres, de koninklijkelijfwacht. Tijdens het koninkrijk en deRepubliek werd het aantaltribūs uitgebreid tot uiteindelijk 35 stammen met elk een tribuun aan het hoofd.
Tijdens de Republiek telde elklegioen zestribuni militum waarvan ééntribunus laticlavius en vijftribuni angusticlavii. Deze tribunen stonden onder delegati maar boven decenturiones in het legioen.[1] Daarnaast kende men ook eentribunus aerarii ("schatkisttribuun"), eentribunus cohortis ("ruiterijtribuun"), eentribunus cohortis urbana ("stedelijke ruiterijtribuun"), eentribunus comitiatus (door decomitia verkozentribunus militum), eentribunus militum a populo (door de volksvergadering verkozentribunus militum), eentribunus rufulus (door de bevelhebber aangeduidetribunus) en eentribunus sexmestris ("zesmaandelijkse tribuun"). Onder de naamtribounos was de term tot in de7e eeuw in hetOost-Romeinse leger in gebruik.
In de vroege Republiek, tussen444 en367 v.Chr., kende men bijzondere krijgstribunen; detribuni militum consulari potestate ("krijgstribunen met consulair gezag") genaamd, die konden worden aangesteld als staatshoofden in plaats vanconsuls.
Na desecessio plebis "terugtrekking van het volk" aan het begin van de5e eeuw v.Chr. kregen deplebejers van depatriciërs voor het eerst toegang tot de bestuursambten van de Republiek. Om de rechten van het volk te beschermen werd het ambt vantribunus plebis ofwel volkstribuun ingesteld. Volkstribunen werd gekozen door de raad van de plebejers (concilium plebis). Oorspronkelijk werden waarschijnlijk twee volkstribunen gekozen, in 470 v.Chr. werd dit verhoogd naar vijf en in 457 v.Chr. naar tien tribunen. Dit aantal zou tot de stichting van het keizerrijk gelijk blijven. Zij hadden het recht de belangen van elke plebejer te beschermen tegen de willekeur van de patriciërs, en mochten daartoe hunveto uitspreken tegen ieder besluit van volksvergadering ensenaat, en tegen iedere ambtelijke maatregel, zelfs van de consuls.
Omdat het wettelijk onmogelijk was voor eenpatriciër om eenvolkstribuun te worden, werd de eerste Romeinse keizerAugustus het geheel van de bevoegdheden van de tribunen (tribunicia potestas) aangeboden zonder dat hij werkelijk fungeerde als tribuun. Dit werd een van de constitutionele grondvesten van Augustus' gezag, het andere was hetimperium proconsulare maius. Het gaf Augustus het recht om de Senaat bijeen te roepen. Ook was hij onschendbaar (sacrosanctus), had het vetorecht (ius intercessionis) en kon hij de doodstraf uitspreken. Het begin van de regering van de meeste Romeinse keizers wordt gedateerd door hun aanvaarding van detribunicia potestas, hoewel sommige keizers, zoalsTiberius,Titus,Trajanus,Marcus Aurelius deze bevoegdheden al ontvangen hadden tijdens het bewind van hun voorganger.Marcus Agrippa enDrusus II werden nooit keizers maar bekleedden toch detribunicia potestas.