DeLandschappen van Nederland kunnen worden ingedeeld op verschillen insubstraat (fysische geografie),bodem,waterhuishouding en de ontginningsgeschiedenis.
Bijlandschappen met weinig of geen menselijke beïnvloeding, spreekt men vannatuurlandschap of wildernis.
Menselijke beïnvloeding bestaat uitcultuurtechnische ingrepen in dewaterhuishouding,percelering en deontsluiting metinfrastructuur en het incultuur nemen van degrond doorbeweiding,akkerbouw,bewoning ofindustrie. Hier spreekt men dan vancultuurlandschap.
Het strikte onderscheid tussen natuur- en cultuurlandschappen wordt door hedendaagse landschapsonderzoekers ter discussie gesteld. In Nederland zijn vrijwel allenatuurgebieden door menselijk ingrijpen tot stand gekomen en hebben zich onder invloed van menselijk medegebruik ontwikkeld. Met namehalfnatuurlijke landschappen hebben vaak een grote natuurlijke en cultuurhistorische waarde.
Het grootste deel van het oppervlak van Nederland bestaat uitformaties van deBoven-Noordzee-groep. Alleen delössafzettingen in het Limburgse heuvelland en de ondergrond van hetOost-Nederlands plateau zijn ouder. Rond 11.500 jaar geleden kwam er een einde aan de laatste ijstijd (Weichselien) van hetPleistoceen en brak hetHoloceen aan, dat tot op heden duurt. Het zeeniveau steeg en het klimaat werd warmer. In tijden van transgressie van de zee werden, met name in de gebieden direct achter deduinen enstrandwallen vanHolland,Zeeland enFriesland moerassen, meren en lagunes gevormd. Er werd daar in open waterzeeklei afgezet, terwijl zich in beschutte omstandigheden een metersdikhoogveendek ontwikkelde. Ook dezandgronden raakten gedeeltelijk bedekt met hoogveen. In de benedenloop van de grote rivieren werdrivierklei afgezet, terwijl zich stroomopwaartsrivierterrassen ontwikkelden. Tot de antropogene landschappen behoren de diepedroogmakerijen en de verstedelijkte gebieden.
Hoogte | Grondsoort | Ontginningstype | Begin van ontginning |
---|---|---|---|
Laag Nederland | Duingrond | Duinontginningen | IJzertijd |
Rivierklei | Stroomrug- en komontginningen | IJzertijd | |
Zeeklei | Oudere zeekleipolders | IJzertijd (600 v.Chr.) | |
Recente zeekleipolders | Late middeleeuwen (13e-20e eeuw) | ||
Droogmakerijen | Nieuwe tijd (16e-20e eeuw) | ||
Veen | Hoogveenontginningen | Middeleeuwen (9e-15e eeuw) | |
Hoog Nederland | Veenkoloniën | NIeuwe tijd (16e -20e eeuw) | |
Zandgrond | Kampontginningen | Neolithicum (4300 v.Chr.) | |
Rivierterrasontginningen | Neolithicum (4300 v.Chr.) | ||
Heide- en bosontginningen | Vanaf 1850 | ||
Krijt/löss | Lössontginningen | Neolithicum (5300 v.Chr.) |
De indeling in landschapstypen en de benaming daarvan is nogal aan veranderingen onderhevig.Historisch-geografen encultureel-geografen hebben vaak kritiek op de neiging om de dynamische ontwikkeling van de verschillende landschappen door de eeuwen heen te onderschatten. Vanuit de overheid wordt het maken van dergelijke indelingen echter gestimuleerd; ze worden vooral gebruikt voor delandschapsplanning en als instrument om het landschap als deel van het culturele en natuurlijke erfgoed te beschermen (landschapsbescherming).
Vooral de ontdekking dat grote delen van de Nederlandse kustvlakte ooit met hoogveen bedekt waren, heeft de afgelopen decennia tot nieuwe inzichten geleid.
De landschapstypologie speelt een belangrijke rol bij het schrijven vanlandschapsbiografieën. Hieronder wordt "een levensloopbeschrijving van een steeds veranderend cultuurlandschap" begrepen.[2][3] Het concept is ontwikkeld door archeoloogJan Kolen, hoogleraar landschapsarcheologie en cultureel erfgoed teLeiden en de bodemkundige en historisch-geograafTheo Spek, hoogleraar landschapsgeschiedenis teGroningen.[4]
Klassiek zijn de indelingen van het Nederlandsecultuurlandschap die de historisch-geograafHendrik Keuning vanaf 1946 introduceerde. Keuning ging uit van een combinatie van fysisch-geografische kenmerken, bodemsoorten en ontginningstypen. Op grond daarvan onderscheidde hij ruim honderd regio's. Keunings indeling sloot aan bij de traditionele indeling van Nederland inlandbouwgebieden die sinds de negentiende eeuw gangbaar was. Daarin stondenbodemsoorten en fysische geografie centraal en speelden culturele kenmerken een ondergeschikte rol.
In 1951 publiceerde Keuning zijn eerste kaart van de Nederlandse landschappen, die uitging van elf landschapstypen en zeven subtypes.[5] Hij bouwde daarbij voort op het werk van de in 1944 opgerichte Werkgroep voor de Cultuurlandschappen. LandschapsarchitectJan Bijhouwer (1971) en fysisch geograaf Henk Visscher (1972) brachten verfijningen aan. Keunings typologie werd richtinggevend, ook voor de overheid, en werkte nog door in deAtlas van Nederland uit 1987.[6] De atlas onderscheidt 167 regionale landschappen, die in 19 groepen gebundeld worden. Ook hetMonumenten Inventarisatie Project hanteerde omstreeks 1990 60 regio's die aan het werk van Keuning waren ontleend.
De Werkgroep Landschapstypologie van hetMinisterie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk ontwierp van 1979 tot 1986 een nieuwe indeling die uitging van negen historisch-geografische landschapstypen, min of meer samenvallend met de fysisch-geografische regio's: kustzone, zeeklei-, laagveen-, zand- en rivierengebied, heuvelland, droogmakerijen, hoogveenontginningen en verstedelijkte zones, aangevuld met deellandschapstypen voor verschillende regio's binnen Nederland. Daarnaast hanteerde men een indeling in elf ontginningstypen. De hoofdtypen vielen min of meer samen met de ontginningstypen die daar het meest voorkwamen. Zo onderscheidde men oude en jonge zeekleipolders (klei), kamp- en heideontginningen (zand), middeleeuwse ontginningen (laagveen) en recentere veenkoloniën (hoogveen), stroomrug-, kom- en rivierterrasontginningen (rivieren) en lössontginningen (heuvelland).
Deze indeling gold lange tijd als basis voor het overheidsbeleid en het onderwijs. Hij was richtinggevend voor het handboekHet Nederlandse landschap uit 1986. Hij werd tevens overgenomen door in deNota Landschap uit 1992 en in deBosatlas.[7] Hij was ook toonaangevend voor volgende projecten.
Met de komst vanGeografische Informatiesystemen in de jaren 1990 namen de mogelijkheden voor een meer gedetailleerde kartering toe. In opdracht van het Ministerie vanLandbouw, Natuurbeheer en Visserij werd daarom in Wageningen na 2000 hetHistland-project opgezet.[8] Dit project ging uit van de bestaande indeling in elf historisch-geografische hoofdtypen (deontginningstypen uit 1986), 54 subtypen en omstreeks 500 deelgebieden. Daarnaast werd 14 regionale landschapstypen ofontginningsgebieden onderscheiden. Dat leverde een enigszins versplinterd kaartbeeld op.
Parallel hiermee werdCultGIS-project opgetuigd, dat cultuurhistorische waarden inventariseerde. Hiervoor gebruikte men de indeling in negen landschapstypen uit 1986, die werd uitgewerkt in 18 deellandschapstypen en 90 deellandschappen.[9] Het project bouwde voort op twaalf provinciale rapporten die onder de noemerOntgonnen Verleden in opdracht van hetMinisterie van Economische Zaken werden opgesteld. Het project, dat onder leiding stond van Adriaan Haartsen, leunde sterk op het werk van Keuning.
Sterk afwijkend is de archeologische landschappenkaart, die zich baseert op degeomorfologische kaart en op grond daarvan acht regionale hoofdlandschappen en 26 deellandschappen onderscheidt. Het zandgebied word bijvoorbeeld verdeeld in een glaciaal en een dekzandlandschap, waartoe ook de Veenkoloniën worden gerekend. Bijzondere aandacht wordt hier besteed aan de continuïteit met het DuitseMünsterland (rond Winterswijk), deNederrijnse Laagvlakte en deArdennen.
Provinciale en gemeentelijke overheden hanteren vaak een eigen typologie die van de algemene indelingscriteria afwijkt, bijvoorbeeld omdat men behalve landschapskenmerken ook nederzettingstypologieën toepast. Zo vinden we in Overijssel de termenessenlandschap, kampenlandschap, maten- en flierenlandschap (beekdalen), klei-ontginningslandschap (broeklanden),kraggenlandschap (trilveen met petgaten) enoeverwallandschap. In Drenthe onderscheidt menesdorpen, esgehuchten,ontginningskoloniën, randveen-, laagveen- en hoogveenontginningen. Noord-Holland kent een veenrivierlandschap (Vechtstreek); Friesland en Groningen hebben eenklei-op-veen-landschap ofmiedenlandschap en eenstreekdorplandschap; Zeeland een poelen- enkreekruggenlandschap.
Om grondsoorten te karakteriseren, hanteert men in Nederland een afzonderlijksysteem van bodemclassificatie, dat zich ver verwijderd heeft van de 19e-eeuwse basiscategorieën die in de landschapstypologie een grote rol spelen..
De nieuwste indeling, die door deRijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wordt gehanteerd in het projectPanorama Landschap (2017-2022), gaat uit van 14 landschapstypen en 78 regio's.[10] Afwijkend van eerdere indelingen is de keuze gemaakt om de fysisch-geografische hoofdlandschappen op het tweede niveau regionaal onder te verdelen.
Daarvoor zijn de zand- en zeekleigebieden en de veenontginningen opgedeeld in een meerdere regionale hoofdlandschapstypen. Opvallend is de aandacht voor het middeleeuwse veenontginningen. Hieronder worden niet alleen de laagveengebieden begrepen, maar ook de klei- en zandgebieden die in de middeleeuwen als veengebieden zijn ontgonnen maar waar het veendek later door oxidatie is verdwenen. De maritieme landschappen ofseascapes zijn grotendeels buiten schot gebleven; alleen de Grote Wateren (IJsselmeer en randmeren, Grevelingen, Haringvliet en Maasmonding) worden als afzonderlijke regio behandeld.
Theo Spek en Menno Kosian (2024) hebben dit model verder toegespitst en verfijnd in de aanloop naar een nieuw handboekLandschappen van Nederland.[11] Ze gaan uit van 17 hoofdlandschappen, 35 deellandschappen en 130 historische streken. Binnen het rivierengebied maken ze (meer dan eerdere auteurs) een duidelijk onderscheid tussen het West-Nederlands benedenrivieren- en waardenlandschap, het Midden-Nederlands rivierenlandschap en het Zuid-Nederlandse rivierterrassenlandschap. Hele gebieden die eerder tot de veenontginningslandschappen werden gerekend, worden door hen als rivierenlandschap gekenschetst. Voor alle rivierenlandschappen in de Rijn-Maas-IJsseldelta geldt dat ze zowel stoomruggen en komgronden als veenvlakten omvatten. Nieuw in hun indeling is ook de aandacht voor deterrassenlandschappen langs Maas en Rijn (Maasvalei), die eerder gedeeltelijk tot de zandlandschappen werden gerekend. In de zandgebieden onderscheiden ze keileem- en dekzandgebieden, stuwwallen, plateau's, beekdalen en broekgebieden. Daarnaast onderscheiden ze het Noord-Nederlandse waddenlandschap en het West-Nederlandse strandwallenlandschap als afzonderlijke landschapstypen.
De Nederlandse indeling in landschapstypen sluit – dankzij Keuning – min of meer aan bij hetDuitse achterland, met name inNedersaksen enSleeswijk-Holstein waar eveneens de trits klei (Marsch), veen (Moor) en zand (Geest) wordt gehanteerd. Rivierkleigebieden worden doorgaans alsFlussmarschen betiteld, lösslandschappen alsBörden. HetOost-Nederlands plateau rond Winterswijk is nauw verbonden met hetKrijtbekken van Münster (Westmünsterland), het terrassenlandschap met het landschap van deNederrijnse Laagvlakte, het heuvelland met deJülicher Börde, het Ardennenvoorland met hetEifelgebied.
Corresponderende landschapstypen in België zijn deVlaamse Kustvlakte met deKustpolders en Scheldepolders (zeeklei), deZandstreek en deKempen (zand), Schelde-, Nete- en Maasbekken (rivierenlandschap),Maasvallei (terrassen) enEntre-Vesdre-et-Meuse met hetLand van Herve (heuvelland en Ardennenvoorland).
Voor de overzichtelijkheid wordt hieronder een aangepaste indeling gehanteerd, waarbij in het midden gelaten wordt of sommige landschappen als afzonderlijke landschapstypen moeten worden gezien.
Het maritieme landschap kan als volgt worden ingedeeld:
Dit hoofdlandschapstype kent de geologische zone's hoge duinen, strandwallen en lage duinen en strandvlakten.
Voor de kust werden in de eerstetransgressieperiode van hetHoloceenstrandwallen gevormd: deoude duinen. Tijdens eb stonden de strandwallen droog en kon het zand door de wind worden opgewaaid tot duinen. Deze duinen konden tot 15 meter hoog worden. In de tweederegressieperiode waren veel oude duinen door de zee weggeslagen. Nadat hetzeeniveau in de tweede transgressieperiode weer steeg, herhaalde het proces van duinvorming zich zoals dat bij de oude duinen gebeurd was. De jonge duinen werden tot wel enkele tientallen meters hoog en vormen nu nog steeds een groot deel van dekust langs deNoordzee.
Tot hetduin- en strandwallenlandschap behoren onder andere de Duin- en Bollenstreek en Kennemerland. De Waddeneilanden moeten eigenlijk tot een afzonderlijk landschapstypeWadden- en duinlandschap worden gerekend.
InZeeland, op de Zuid-Hollandse eilanden en in het noorden van Noord-Holland,Groningen en Friesland is sprake van eenzeekleilandschap. In deze gebieden heeft de zee in de loop van het Holoceen een grotere invloed gehad dan in de hoogveenmoerassen van Holland, die tegen de zee beschermd werden door een duinenrij.
Het gaat vooral om getijdengebieden, waarbij de zee bij hoge waterstanden het land overspoelde. Een dergelijk getijdengebied bestaat (vergelijkbaar met de stroomruggen en komgronden van het rivierengebied) uitkreekruggen enpoelgebieden. De kreekruggen zijn de plekken waarkreken stroomden, de ondergrond bestaat hier uit zand of zavel dat voor de landbouw geschikter is dan de klei die in de poelgebieden werd afgezet. Om de regelmatige overstromingen te weerstaan, legden de inwoners van Groningen, Friesland en de Kop van Noord-Holland sinds deIJzertijdterpen of wierden aan, waarop huizen en akkertjes werden gesitueerd. Vanaf de elfde eeuw werd het gebied systematisch bedijkt.
Een deel van de zeekleilandschappen bestaat uit voormalige hoogveenlandschappen (ook welrandveen-, woudontginnings- ofstreekdorpenlandschap genoemd), waar het veendek ten gevolge van ontginning al in de late Middeleeuwen is verdwenen. Dat is met name het geval inWest-Friesland. delen vanZuidwest-Friesland en een deel van hetGroningse Woldgebied. Kenmerkend hiervoor is deslagenverkaveling. Ook het zuidwestelijke Deltagebied bestaat voor een groot deel uit voormalige veenmoerassen die in de vroege middeleeuwen zijn verdronken.
Op veel plekken is doorinpoldering van kwelders of drooglegging van binnenmeren en diepe veenplassen nieuw land gewonnen. De perceelsindeling is met name bij de jongste polders op de tekentafel ontstaan en kenmerkt zich door strak aangelegde bebouwing en infrastructuur. Dit wordtrationele verkaveling genoemd. In het Dollardgebied is daarentegen de oorspronkelijkeslagenverkaveling van het verdronken hoogveenlandschap tot het derde kwart van de 20e eeuw intact gebleven.
Binnen dit gebied wordt een beperkt aantal geologische landschapszone's onderscheiden, namelijk (voormalige) kwelders, kwelder- en kreekruggen, kreken en prielen en (kleinere) droogmakerijen.
Het zeekleilandschap kan in zes hoofdlandschapstypen worden onderverdeeld:
In delandbouwstatistiek wordt het Noordelijk en het Zuidwestelijk Zeekleigebied onderscheiden. Sinds 1991 hanteert men daarvoor de namenBouwhoek,Hogeland (Noordelijke Bouwstreek),Oostelijke Bouwstreek en Zuidwestelijk Akkerbouwgebied.
Verder van de kust af bleef de Pleistocene ondergrond tijdens het Holoceen vrijwel onaangetast. De zandgebieden bestaan grotendeels uit dekzand- en keileemvlakten, afgewisseld door hogere stuwwallen en keileemruggen. Ze worden doorsneden door kleinschaligebeekafzettingen, die soms tot een afzonderlijk landschapstype worden gerekend. Plaatselijk zijn nog veenrestanten envennetjes aanwezig. Grote delen van het noorden, midden en zuiden van Nederland, in de provinciesFriesland,Groningen,Drenthe,Overijssel,Gelderland,Utrecht,Noord-Brabant enLimburg, bestaan uit zulke Pleistocene zandlandschappen. Hetgrondwaterpeil ligt er lager dan in het westen van Nederland en de grond is armer.
De hoogste en vruchtbaarste delen van het gebied werden vanaf het Neolithicum in cultuur gebracht. De zandgebieden bestonden grotendeels uit zogenaamdewoeste gronden, die vrij extensief gebruikt werden om vee te laten grazen, hout te sprokkelen of turf te steken. De akkerbouw vond plaats op centraal gelegen kampen ofessen. In Noord-Nederland zijn veel dorpenesdorpen: ze bestaan uit een dorpskern met eenes, die door eeuwenlange bemesting vaak een stuk hoger in het landschap is komen te liggen. De laag gelegen gronden in de beek-of rivierdalen waren als grasland in gebruik.
De lagere delen van de dekzand- en keileemvlakten raakten echter – samen met de laagste ruggen – bedekt door metersdik hoogveen, dat sinds de vroege middeleeuwen ontgonnen werd. Hierdoor kwam het zand weer aan de oppervlakte. De middeleeuwse veenontginningen worden zolang er nog een veendek aanwezig is tot de veenlandschappen gerekend. De latere ontginningen waar het veen tot op het zand is afgegraven, vallen volgens de nieuwste indeling onder de zandlandschappen.
Tussen de zandlandschappen bestaan opvallende verschillen, die echter nauwelijks samenvallen met afzonderlijke streken. Voor Noord-Nederland werd vanouds een regionale indeling gehanteerd. Daarnaast werd onderscheid gemaakt tussen lage, middelhoge enhoge zandgronden. Tegenwoordig wordt hier een onderverdeling gemaakt tussen dekzandlandschappen en glaciale landschappen (keileemgebied enstuwwallen). Voor Zuid-Nederland, waar stuwwallen en keileem ontbreken, heeft men daarentegen gekozen voor een regionale indeling.
Het gebied kent een flink aantal geologische landschapszones, namelijk: dekzandruggen, -vlakten en -laagten, keileemruggen en -vlakten, hellingen, plateaus, sandrs, smeltwatervlakten, droogdalbodems, beek- en droogdalhellingen, pingoruïnes, rivierduinen, beekdalbodems en veenvlakten. De zandgronden kennenverschillende bodemtypen, meestpodzol- eneerdgronden.
Er worden zeven hoofdlandschappen onderscheiden:
In delandbouwstatistiek van 1912 werden de zandgronden tot een afzonderlijke groep landbouwgebieden gerekend. Hierbinnen werden eenNoordelijk,Oostelijk,Centraal enZuidelijk Zandgebied onderscheiden. DeVeenkoloniën vormden een afzonderlijke groep. Sinds 1991 worden deze gebieden grotendeels tot het NoordelijkeWeidegebied en het Oostelijk, Centraal en Zuidelijk Veehouderijgebied geteld De Veenkoloniën vormen nog altijd een afzonderlijke groep akkerbouwgebieden, sinds 1991 samen metWesterwolde,Hondsrug en het Centrale Veengebied van Drenthe.
Veenontginningslandschappen,laagveen- ofveenweidegebieden worden gevonden in het westen van Nederland (delen van de provinciesNoord- enZuid-Holland enUtrecht) en in het noorden, met name in Groningen, Drenthe, Friesland en deKop van Overijssel. Tot ver in de 20e eeuw meende men dat dezelaagveenlandschappen er al sinds mensenheugenis zo bijlagen; in werkelijkheid gaat het om verdronken hoogveenlandschappen. Net als andere middeleeuwse hoogveenontginningen hebben ze doorgaans eenslagenverkaveling en eenlintbebouwing, en kenmerken zich door het toponiemwoud ofwold, hetgeen voor een (voormalig) hoogveengebied of moerasbos staat. De bovenste laag hoogveen is in de meeste gevallen door ontwatering, inklinking en erosie verdwenen.
Vanaf de zestiende eeuw werd het resterende veen grootschalig afgegraven en opgebaggerd om als brandstof te gebruiken (vervening). Het baggeren gebeurde in stroken, die tegenwoordig nog in het landschap te herkennen zijn. Op sommige plekken werd het veen tot ver onder de waterspiegel verwijderd, zodat er ondiepe meren ofveenplassen ontstonden, zoals deLoosdrechtse Plassen, deVinkeveense Plassen,de Weerribben en de Wieden; om die reden sprak men ook wel over hetveenplassengebied. In het Friese en Overijsselse veengebied heeft men deze plassen vanaf het einde van de achttiende eeuw drooggemalen. Hierdoor ontstonden (ondiepe)veenpolders, die soms tot het afzonderlijke landschapstype van dedroogmakerijen worden gerekend.
De belangrijkste geologische landschapszone betreft de (voormalige) veenvlakten, die veelvuldig worden doorsneden door kreek- en dekzandruggen dan wel door kreken en prielen. Op enkele plekken is sprake van veenglooiingen, verlandende of verdrinkende veengebieden en kleinschalige droogmakerijen.
Binnen de veenlandschappen kunnen twee hoofdlandschappen of regio's worden onderscheiden:
In delandbouwstatistiek worden de lage veenlandschappen sinds 1912 gerekend tot deweidegebieden. Sinds 1991 behoren deze landschappen tot de hoofdgroepen Noordelijk Weidegebied, Hollands/Utrechts Weidegebied en Westelijk Holland.
De nieuwste landschapstypologie onderscheidt drie rivierenlandschappen:
Het landschap langs de grote rivieren bestaat grotendeels uit een afwisseling vanstroomruggen enkomgronden of overstromingsvlakten (ook welrivierkleilandschap genoemd), en veengebieden. De stroomruggen liggen op de plekken waar een rivier stroomde en bestaan uit een ondergrond van grover sediment (zand enzavel). De komgronden stonden alleen tijdens overstromingen onder water en bestaan uit fijnerivierklei. Deze zware, ondoorlatende klei is veel minder geschikt voor de landbouw dan de stroomruggen. De hoger gelegen stroomruggen zijn de plaatsen waar de bewoning zich vroeger concentreerde. Op deze ruggen kan vaaktuinbouw worden gevonden (zoals defruitteelt in deBetuwe). De vroeger natte, slecht toegankelijke en niet bewoonde komgronden kenden in het verledeneendenkooien en hooiland. Tegenwoordig zijn ze in gebruik als weilanden voor deveeteelt. Rond de rivieren bevinden zichuiterwaarden, in hetMaasdal ook hoge grindkoppen, die deels zijn vergraven. De centrale riviervlakte wordt soms onderscheiden van de meer kleinschalige reliëfinversiegebieden langs deKromme Rijn,Oude Rijn enUtrechtse Vecht. Tot het rivierengebied behoort ook hetIJsseldal. Belangrijke delen van de Rijn-Maasdelta, met name in Zuid-Holland, bestaan uit ontgonnen veenvlakten die eerder wel geheel of gedeeltelijk tot de laagveen- ofveenweidegebieden werden gerekend (met name Land van Heusden en Altena, Alblasserwaard, Krimpenerwaard, Vijfheerenlanden, Lopikerwaard en Kromme Rijngebied).
In delandbouwstatistiek van 1912 werd het Rivierkleigebied (met gemengd bedrijf) tot een afzonderlijke groep landbouwgebieden gerekend. Sinds 1991 spreekt men kortweg overRivierengebied. DeIJsselstreek wordt sinds 1991 bij het Oostelijk Veehouderijgebied geteld.
Ook wel: Zuid-Nederlands rivierterrassenlandschap. Het oostelijke rivierengebied oftewel de Maasvallei wordt omzoomd door Lage en HogeRijnterrassen,Maasterrassen en stuwwallen, die vanouds gedeeltelijk tot het zuidelijke zandgebied, maar tegenwoordig tot afzonderlijke landschapstypen worden gerekend. Bodemkundigen speken over oude rivierkleigronden uit hetAllerød-interstadiaal. Hetterrassenlandschap vormt een overgangsgebied met restgeulen, rivierduinen, terrassen, plateaus, hellingen en dekzandgebieden.
In delandbouwstatistiek wordt het terrassenlandschap deels tot het Rivierengebied, deels tot tot het Zuidelijk Zandgebied (sinds 1991 Zuidelijk Veehouderijgebied) gerekend.
In hetZuid-LimburgseHeuvellandschap (ook: Krijt-lösslandschap) is sprake van eenplateau dat is bedekt met vruchtbareeolischelöss uit het Weichselien. Onder de löss ligtkrijtgesteente (in Limburgmergel genoemd). De Maas heeft zich in dit plateau ingesleten met verschillenderivierterrassen. In deSint-Pietersberg en de hellingen van hetGeuldal zijn doorondergrondse kalksteenwinning gangenstelsels ontstaan, in de volksmond ook welmergelgrotten genoemd. Het gebied wordt omzoomd door het dal van de Maas en de Hoge Rijnterrassen langs de Duitse grens.
Het gebied wordt soms onderverdeeld in:
Hiertoe behoort ook het Ardennenvoorland, dat in sommige indelingen als een zelfstandig landschapstype wordt gezien.
In delandbouwstatistiek wordt het heuvelland sinds 1957 tot een afzonderlijke groep vanlössgebieden gerekend.
Dit type kent twee geologische landschapszone's, namelijk (voormalige) wadden en voormalige Zuiderzeebodem. Deze vallen samen met de hoofdlandschappen:
Ook wel veenkoloniaal of hoogveenlandschap genoemd. Hiertoe worden de Noord- en Midden-Nederlandse Veenkoloniën en De Peel gerekend.