Tweezaadlobbigen ofdicotylen zijnplanten die samen met deeenzaadlobbigen of monocotylen debloemplanten ofbedektzadigen vormen. Veel van de tweezaadlobbigen hebben per zaad tweezaadlobben of cotylen, waarin het reservevoedsel, nodig voor dekieming en eerste groei van de jonge plant, zit opgeslagen. Bij meer dan de helft van de monocotylen is er één zaadlob per zaad.
De wetenschappelijke naam voor deze groep isDicotyledones (soms ookDicotyledoneae). In hetCronquist-systeem heette deze groepMagnoliopsida (in de vertaling van de 22e druk van deHeukels:Magnoliidae).
In deAPG-systemen worden de 'dicotylen' in de oude omgrenzing beschouwd als eenparafyletische groep. Na verwijdering van verschillende groepen (zoals de groepen die later namen kregen alsChloranthales,Ceratophyllales, en een groep die welmagnoliiden genoemd wordt[1]) vormt het overgrote deel van de tweezaadlobbigen in de oude omgrenzing wel eenmonofyletische groep, die door de APG deeudicots wordt genoemd (eu- = echt,dicots = dicotylen).
De 23e druk van deHeukels (2005) duidt deze groep van de eudicots aan met"tweezaadlobbigen". De naam wordt dan gebruikt voor de meer beperkte groep in de nieuwe omgrenzing. De 24e druk handhaaft dit.