Movatterモバイル変換


[0]ホーム

URL:


Naar inhoud springen
Wikipediade vrije encyclopedie
Zoeken

Romeinse Republiek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Res Publica
 Romeins Koninkrijk509 v.Chr.  31 v.Chr.Romeinse Keizerrijk 
(Details)
Kaart
± 40 v.Chr.
± 40 v.Chr.
Algemene gegevens
HoofdstadRome
Oppervlakte900 km²(500 v.Chr.)
25.000 km²(260 v.Chr.)
Bevolking3 à 4 miljoen(260 v.Chr., incl. bondgenoten)
TalenLatijn,Grieks
Religie(s)Romeinse godsdienst
Munteenheidas
Regering
RegeringsvormRepubliek:consulaat
Staatshoofd2consuls
Geschiedenis van hetRomeinse Rijk

Romeinse Rijk


Ca.753 v.Chr. -476 n.Chr.

Voor de stad, ziegeschiedenis van Rome

Portaal Portaalicoon Romeinse Rijk
Portaal Portaalicoon Geschiedenis

DeRomeinse republiek was eenpolitieke fase in degeschiedenis van de Romeinen, die zich afspeelde in de periode tussen hetRomeins koninkrijk en hetRomeinse keizerrijk. In deze periode groeide Rome uit van eenstadstaat, die lokale oorlogen uitvocht met buursteden, tot eenwereldrijk. De republiek begon met de eerste verkiezing van deconsuls in 509 v.Chr., en eindigde 478 jaar later, toenOctavianus een keizerlijkedynastie vestigde. De republikeinse fase moet niet worden verward met twee kort bestaande Romeinse republieken uit demoderne tijd, respectievelijk deRomeinse republiek van 1798-1799 en deRomeinse republiek van 1849.

Oorsprong

[bewerken |brontekst bewerken]

Deklassieke Romeinse republiek is een van de drie periodes waarin de geschiedenis van hetRomeinse rijk traditioneel wordt ingedeeld. De Romeinse republiek ontstond volgens de overlevering in509 v.Chr.[1], toen de laatste koning van Rome,Tarquinius Superbus, werd verdreven doorLucius Junius Brutus. Er werd toen besloten om jaarlijks twee consuls te kiezen. Hiermee ontstond voor zover bekend de eersterepubliek uit degeschiedenis.

In latere tijden ontstonden, naast het ambt van consul, ook de ambten vanproconsul,quaestor,praetor encensor. Zie het lemmacursus honorum.

Militaire structuur

[bewerken |brontekst bewerken]

Romeinse historici beweerden vaak dat Rome zijn imperium had opgebouwd door een opeenvolgende reeks van "defensieve oorlogen". De werkelijkheid was genuanceerder. Voor de beginfase, toen Rome zijn macht in Midden-Italië vestigde, kan de zienswijze van defensieve oorlogen nog tot op zekere hoogte worden verdedigd. Met zoveelLatijnsekleine staatjes zo dicht op elkaar, was niemand ooit werkelijk veilig. Toch kenden deze "nabuuroorlogen" al duidelijke gevallen van purelandroof, bijvoorbeeld ten koste van deVeii of deVolsken.

Vanuit de door de Romeinen gevoelde behoefte aan een betere rechtvaardiging van eenoorlog dan pure roofzucht, ontstond het begrip "rechtvaardige oorlog" ofbellum iustum. Voordat hetleger uitrukte moest een priester in een plechtige ceremonie aan de goden uitleggen dat de Romeinen een "rechtvaardige oorlog" begonnen en daarom hun steun verdienden. Er werden steeds - min of meer spitsvondige - argumenten gevonden voor de "rechtvaardigheid" van een oorlog, bijvoorbeeld "bondgenoten", die tegen "boosaardige" buren moesten worden "beschermd".

Naarmate Rome groter en machtiger werd, en veroveringen buiten het Italiaanse schiereiland begon te maken, werd oorlog echter steeds meer een lucratieve affaire voor de senatorenklasse.

Krijgstechnieken

[bewerken |brontekst bewerken]

De expansie van Rome ging gepaard met een flinke uitbreiding van de strijdmacht van de Romeinse federatie. Tijdens de periode van deRomeinse monarchie bestond het leger uit één enkellegioen (legioen betekent zoiets als "lichting") van 4.200 voetsoldaten en 300 ruiters.

Naarmate de bevolking van het door de Romeinen beheerste grondgebied groeide, konden er twee, later drie of vier legioenen van Romeinse burgers op de been worden gebracht, aangevuld met minstens zoveel troepen van de bondgenoten.Aanvankelijk gebruikten de Romeinen de tactiek van de Grieksefalanx, een hecht blok van met lange lansen gewapende en met schilden en pantsers beschermde infanteristen, waartegen minder gedisciplineerde en lichter bewapende infanteristen vrijwel niet waren opgewassen. In hun oorlogen met de Samnieten en andere bergvolken ontwikkelden de Romeinen - door schade en schande wijs geworden - een flexibelere slaglinie, met onderdelen die beter in staat waren om ook los van elkaar te opereren (manipels,cohorten,centuriën).Tot aande hervormingen van Marius rond 100 v.Chr. zou het Romeinse leger in wezen bestaan uit boeren, die voor de tijd van een krijgscampagne waren opgeroepen. Zolang de Romeinen hun oorlogen op korte afstand van hun moederstad voerden, was dat nauwelijks een bezwaar.

Legerhervormingen, 107 v.Chr.

[bewerken |brontekst bewerken]
Gaius Marius

Tot ongeveer 110 v.Chr. werd het leger gevormd door vrije boeren, die in tijd van oorlog werden opgeroepen; er was dus geenpermanent leger. In het begin van Romes geschiedenis was de legerdienst meestal van korte duur, omdat de strijd zich in de directe omgeving van Rome afspeelde. Na de oorlog werden de soldaten weer snelgedemobiliseerd en keerden ze terug naar hun akkers en werkplaatsen. Zo was er meestal maar een korte onderbreking van hun werkzaamheden. Maar toen Romesinvloedssfeer groeide, moesten de legers steeds verder van huis en waren er ook steeds meer veldtochten nodig. Zo waren de soldaten op het laatst vaak hele zomers van huis. De boeren hadden steeds minder tijd om hun akkers te verzorgen, zodat ze op het laatst sterk verarmden door de teruglopende oogsten.

Rond 110 v.Chr. wisten deKimbren enTeutonen verpletterende nederlagen toe te brengen aan de Romeinen, waarbij hele legioenen werden uitgeroeid. Er ontstond een gevaarlijk gebrek aan soldaten, enGaius Marius, generaal en staatsman, kreeg daarom van de Senaat de vrije hand om hervormingen van het Romeinse leger door te voeren.

Marius besloot om zijn soldaten een onkostenvergoeding te betalen, die uitgroeide tot eensalaris. Veel verarmde boeren besloten om permanent in het leger te blijven, omdat ze zo meer konden verdienen dan op hun verwaarloosde stukje grond. Veel mannen zonder landbezit, "proletariërs", namen toen ook dienst in het leger en de veldheer had een machtig middel om deze mannen persoonlijk aan zich te binden: hij beloofde ervoor te zullen zorgen dat zij na 15 tot 20 jaar dienst in het leger ook een stukje grond zouden krijgen. Daarmee werd voor de meeste rekruten het leger een baan 'voor het leven'; met andere woorden, ze werden beroepssoldaten.

Doordat Marius zo een permanent beroepsleger oprichtte, veranderde echter de machtsbalans in Rome: voortaan was het leger een belangrijke partij, en dus ook de generaal die het leger aanvoerde en tegenover wie de soldaten meer loyaliteit koesterden dan tegenover de Senaat.

Expansie van de Romeinse Republiek

[bewerken |brontekst bewerken]

Veroveringskaart Romeinse Rijk

[bewerken |brontekst bewerken]
Veroveringskaart Romeinse Rijk

Op deze kaart is de groei te zien van hetRomeinse rijk, zowel tijdens de fase van de Republiek (rood en oranje) als tijdens het Keizerrijk (geel en groen).

Voor of in 133 v.Chr. () bestaat het rijk uit heelItalië,Griekenland,Pergamon als deprovincia Asia, en de tijdens de Punische Oorlogen veroverdeprovinciae Sicilia, Sardinia en Hispania.

Tegen 44 v.Chr. () maakte heelGallia, en grote delen vanKlein-Azië en Noord-Afrika deel uit van het rijk.

De eerste keizerAugustus (zieRomeinse Keizerrijk) zal de () gebieden veroveren; in 117 na Chr. zal het rijk zijn grootste afmeting bereiken ().

Van de Romeinsegeschiedschrijving zijn pas vanaf de3e eeuw v.Chr. teksten overgeleverd. Bij de plundering van Rome door deGalliërs onderBrennus in387 v.Chr. zijn eventuele historische documenten verloren gegaan toen het archief van de Senaat in vlammen opging. Bij de gebeurtenissen van vóór300 v.Chr. is het daarom vaak moeilijk feiten en legenden uit elkaar te houden.Desondanks zijn er wel enkele grote lijnen vast te stellen in de expansie van Rome als regionale mogendheid.

Expansie tot 100 km van Rome (509 – 343 v.Chr.)

[bewerken |brontekst bewerken]

De periode tot ca.340 v.Chr. werd gekenmerkt door consolidatie van de Romeinse machtspositie, in een gebied dat zich niet veel verder dan ca. 100 km van de stad Rome uitstrekte.

Rome begon ermee de ongeveer 30 stad- of dorpstaatjes derLatijnen te verenigen in een offensieve en defensieve confederatie. Het gehele gebied van de Romeinen en Latijnen besloeg niet veel meer dan 2000 km2. Aanvankelijk moest Rome in dit gebied nog een strijd om de suprematie leveren metAlba Longa, een Latijns stadje op nog geen 20 km van Rome.

Omstreeks396 v.Chr. veroverden de Romeinen de naburigeEtruskische stadVeii, die op niet meer dan 18 km van Rome lag. Volgens de overlevering zou de gehele bevolking van de veroverde stad op de slavenmarkt zijn verkocht. Maar ook na de annexatie van het gebied van Veii besloeg het gebied van Romeinen en Latijnen niet veel meer dan 3000 km2, ongeveer zoveel als de huidige provincie Antwerpen of Overijssel, en minder dan een vijfde deel van de huidige Italiaanse regioLazio.

De verovering van Veii maakte de naburige staten bewust van de groeiende macht van Rome. Andere Etruskische steden riepen daarom de hulp van Rome in tegen een nieuwe bedreiging, de uit het noorden binnenvallendeGalliërs, die in de5e eeuw v.Chr. het grootste deel van dePovlakte onder de voet hadden gelopen. Deze interventie dreigde Rome fataal te worden. In387 v.Chr. leden de Romeinen een zware nederlaag tegen de Gallische koningBrennus, die de stad belegerde en pas wegtrok na betaling van een forse schatting. Het zou enige decennia duren voordat Rome zich van deze tegenslag had hersteld.

Rome moest zelfs opnieuw oorlog voeren om zijn gezag over de naburige Latijnse stadstaatjes te herstellen.

Expansie over hele Italiaanse schiereiland (343 – 275 v.Chr.)

[bewerken |brontekst bewerken]

Samnitische oorlogen

[bewerken |brontekst bewerken]

Nadat Rome na de confrontatie met de Galliërs zijn gezag weer had hersteld, was het, samen met zijn bondgenoten, opnieuw de sterkste militaire macht in de regio. De Etruskische staten zochten opnieuw hulp bij Rome tegen het Gallische gevaar. De bewoners vanCampanië zochten bescherming tegen het expansieve bergvolk van deSamnieten uit deAbruzzen. Dit leidde vanaf343 v.Chr. tot drieSamnitische oorlogen, waarvan de laatste pas in 291 v.Chr. zou eindigen.

Hardnekkige tegenstanders waren ook deVolsken, in het zuidoosten vanLatium. Het na hun onderwerping geannexeerde akkerland was, tezamen met dat van Veii, voor geruime tijd voldoende om de landhonger van de in aantal toegenomen Romeinen en Latijnen te stillen. Nadat ook deSabijnen en enkele kleinere buurvolkeren, zoals deHernici,Aequi enAurunci, onderworpen waren, beheerste Rome ongeveer het gebied van de huidige Italiaanse regioLazio.

Kort na300 v.Chr. raakten sommige Etruskische stadstaten echter bevreesd voor de toenemende macht van Rome, en verbonden zich met hun oude Gallische vijand en met de Samnieten tegen Rome. Daarmee begon deDerde Samnitische Oorlog. Met zijn bondgenoten versloeg Rome echter de alliantie vanSamnieten,Etrusken enGalliërs, in deSlag bij Sentinum,295 v.Chr., en ten slotte de bestorming van de stad Venusia in291 v.Chr..

Ondanks aanvankelijke successen moesten ook de Samnieten uiteindelijk het hoofd buigen voor de Romeinse federatie.

Pyrrhische oorlogen

[bewerken |brontekst bewerken]

Nu was er op het Apennijnse schiereiland geen macht meer die Rome kon tegenhouden. Enkele Griekse stadstaten in Zuid-Italië, onder leiding vanTarente, probeerden hun onafhankelijkheid te verdedigen door zich te verbinden met de Griekse koningPyrrhus van Epirus.

Pyrrhus boekte overwinningen tijdens deSlag bij Heraclea (280 v.Chr.) en in Ausculum (279 v.Chr.), maar deze waren zo kostbaar dat het spreekwoordelijk gewordenpyrrusoverwinningen waren. In275 v.Chr. werd Pyrrhus definitief verslagen in deSlag bij Beneventum. Hiermee was Rome de onbetwiste meester geworden van hetApennijns Schiereiland.

Romeins-Gallische oorlogen

[bewerken |brontekst bewerken]

Kort daarop namen de Romeinen ook de verovering van dePovlakte op de daar gevestigde Gallische volksstammen ter hand.Sicilië en de Povlakte golden voor de Romeinen en hunItalische bondgenoten lange tijd als een min of meer vreemd gebied, dat pas veel later als een volwaardig deel vanItalia zou worden beschouwd. Men sprak bij deze gebieden niet van "socii" (bondgenoten), maar van "provinciae" (wingewesten), die grondig mochten worden uitgebuit.

Volgens eencensus (volkstelling) van260 v.Chr. beschikte Rome over ongeveer 290.000 Romeinse burgers, plus 750.000 burgers van de bondgenoten.Burgers waren volwassen mannen die geen slaaf waren. De totale bevolking van de Romeinse federatie bedroeg zo'n 3 tot 4 miljoen.

Veel van de ongeveer 1 miljoen "burgers" waren te oud voor de krijgsdienst of te arm om een wapenuitrusting te bekostigen, maar ze vormden toch een reservoir waaruit in oorlogstijd gemakkelijk tegen de 100.000 soldaten konden worden gemobiliseerd, die bovendien dankzij de Romeinsekrijgstucht en het Romeinse organisatietalent tot de beste soldaten ter wereld behoorden. Rome verkeerde hiermee in een goede positie om de dominerende macht in het gehele Middellandse Zeegebied te worden.

Verovering van Sicilië, Spanje en Noord-Afrika

[bewerken |brontekst bewerken]

Punische oorlogen

[bewerken |brontekst bewerken]
ZiePunische oorlogen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De doorFeniciërs gestichte handelsstadCarthago handhaafde al ruim twee eeuwen een maritiem overwicht in het westelijk deel van het Middellandse Zeegebied. Deze suprematie werd wel vaak aangevochten door verschillende Griekse steden in Zuid-Italië. Carthago probeerde, met wisselend succes, ook zijn gezag te doen gelden over de Griekse steden op Sicilië. Tot264 v.Chr. hadden Carthago en Rome elkaars invloedssferen niet aangetast en hadden de twee mogendheden over het algemeen bondgenootschappelijke betrekkingen met elkaar onderhouden. Deze betrekkingen waren vastgelegd in een verdrag. Het is bewaard gebleven in het oudste document dat we kennen uit de Romeinse geschiedenis. Toen Rome zijn "bescherming" wilde uitstrekken tot een troepCampaanse huurlingen die zich meester hadden gemaakt van de Siciliaanse stadMessina, kwam het echter tot een conflict, deEerste Punische Oorlog. Rome voelde zich nu gedwongen om naast een sterk landleger ook een sterke oorlogsvloot op te bouwen. Na ruim 20 jaar harde strijd moest Carthago zich gewonnen geven.Sicilië kwam nu in Romeinse invloedssfeer te liggen. In deze Eerste Punische Oorlog (264 v.Chr.-241 v.Chr.) bleef Carthago vrij immuun voor de Romeinse landmacht, hoewel haar controle over Sicilië verloren ging.

Tweede Punische Oorlog (218 – 202 v.Chr.)

[bewerken |brontekst bewerken]
geanimeerde Punische oorlogen

De rivaliteit en het wantrouwen tussen de grootmachten van het westen van de Middellandse Zee – Rome en Carthago – waren na de Eerste Punische Oorlog allerminst uit de wereld. Na verloop van tijd kwamen ze weer in conflict over de afbakening van hun invloedssferen, en wel op hetIberisch Schiereiland. Vooral de Iberische stadSaguntum, het huidigeSagunto, speelde hierin een rol. Toen Rome een verbond sloot met Saguntum, dat in de Carthaagse invloedssfeer lag, was deTweede Punische Oorlog dan ook onvermijdelijk en deze zou duren van218 tot202 v.Chr.. De Carthaagse legerleiderHannibal Barkas was niet tevreden met het heroveren van Saguntum en besloot grondig met de Romeinen af te rekenen door hen rechtstreeks inItalië aan te vallen. Hij zou steeds te kampen hebben met de Carthaagse politieke factie onder leiding vanHanno de Grote, die een dergelijk avontuur een slecht idee vond.

Hannibal trekt de Alpen over

[bewerken |brontekst bewerken]

Hannibal stak vanuit Spanje dePyreneeën en deAlpen over met een groot leger, grotendeels bestaande uitIberische kelten en Noord-AfrikaanseLibiërs (vooralNumidiërs enMoren). Volgens de twee eeuwen later levende Romeinse geschiedschrijverLivius deed hij dat in oktober/november218 v.Chr. en had hij 37olifanten bij zich. Aanvankelijk boekte de briljante veldheer Hannibal grote successen tegen de Romeinen, waarmee hij als boeman een blijvende plaats in het Romeinse bewustzijn veroverde ("Hannibal ad Portas!"). Livius vermeldt dat de zwaarden van de Numidiërs de beslissende rol speelden in deslag bij Cannae (Zuidoost-Italië) in216 v.Chr.,[2] die de Romeinse Republiek tot de rand van de afgrond bracht, want hun eigen Italiaanse bondgenoten begonnen aan Rome te twijfelen, enPhilippos V van Macedonië sloot een verbond met Carthago om in214 v.Chr. deEerste Macedonische Oorlog tegen Rome te beginnen. Het laatste onafhankelijke deel van Sicilië sloot ook een verbond met Hannibal.

Romeinen snijden Hannibals aanvoerlijnen af

[bewerken |brontekst bewerken]
Scipio

De Romeinen bleken echter te leren, zowel van hun eigen fouten als van de tactiek van de vijand. Zij schakelden over op een uitputtingsstrategie tegen Hannibal in Italië, en trachtten diens verbinding met zijn uitvalsbasis in Iberia af te snijden. Vanaf211 v.Chr. werden hiermee belangrijke successen geboekt, toen de grote veldheerScipio in Iberia landde en daar een aantal overwinningen behaalde op minder briljante veldheren dan Hannibal. De trouw van Carthago's bondgenoten liet te wensen over. Hannibals broer Hasdrubal werd de grond te heet onder de voeten in Iberia. Hij trok op naar Italië om Hannibal te versterken, maar werd daar verslagen en gedood in de belangrijke Romeinse overwinning in deSlag bij de Metaurus (Noordoost-Italië) in207 v.Chr. Hannibal moest het in Italië dus slechts stellen met wat plaatselijke, dubieuze bondgenoten.

Hannibal vlucht; Carthago verslagen

[bewerken |brontekst bewerken]

Na bijna 15 jaar van belegeringen vanItalische steden (maar nooit van de stad Rome), en te weinig gewonnen veldslagen, moest Hannibal vanuit Italië de Middellandse Zee oversteken naar zijn vaderstad Carthago. De Romeinen hadden inmiddels de hele Carthaagseinvloedssfeer in Spanje opgerold en waren overgestoken naarAfrica, waar zij Carthago direct bedreigden, met steun van de naar hen overgelopen Numidiërs. Hannibal werd in202 v.Chr. in de buurt van zijn vaderstad beslissend verslagen, tijdens deSlag bij Zama Regia. De Carthagers moesten vervolgens, in het door de Romeinen opgelegd verdrag, hun invloedssfeer beperken tot Noord-Tunesië. Carthago werd als het ware onder Romeinse curatele gesteld. Dit werd niet door iedereen in Rome als voldoende beschouwd. Rome en Carthago waren sinds de traumatiserende jaren van Hannibal in Italië dodelijke rivalen, waarbij voor beide partijen de Middellandse Zee inmiddels 'te klein was'. SenatorCato bleef tientallen jaren, tot zijn dood in149 v.Chr., pleiten voor de verwoesting van Carthago.

Verwoesting Carthago (149 - 146 v.Chr.)

[bewerken |brontekst bewerken]

DeDerde Punische Oorlog, van149 tot146 v.Chr. was een grondige afrekening met een Carthaagse Republiek, die nog maar een schaduw van zijn vroegere macht had. Carthago werd met de grond gelijk gemaakt en er werd pas ruim een eeuw later een begin gemaakt met de herbouw, als hoofdstad van de Romeinse provincieAfrica. Met uitzondering van tweediadochenrijken, hetSeleucidenrijk, dat zich toen nog hoofdzakelijk totSyrië beperkte, en hetEgypte van dePtolemaeën, was nu vrijwel het gehele Middellandse Zeegebied ofwel door Rome geannexeerd als "provincia", ofwel Romeinse vazalstaat.

Macedonische Oorlogen (214 – 148 v.Chr.)

[bewerken |brontekst bewerken]

Al kort na het einde van de Tweede Punische Oorlog raakte de Romeinse Republiek weer in conflict met het koninkrijkMacedonië, dat met moeite zijn gezag over de stadstaten in Griekenland probeerde te handhaven. Na een eerste overwinning op Macedonië in197 v.Chr. (Slag bij Cynoscephalae) beloofde de Romeinse consul Flaminius plechtig het herstel van de oude "vrijheid" aan de Grieken. Spoedig zou evenwel blijken dat de Romeinen hiermee alleenautonomie binnen de Romeinse machtssfeer bedoelden. Een stad alsKorinthe, die dat niet tijdig had willen begrijpen, werd in146 v.Chr. door de Romeinen met de grond gelijk gemaakt. Na een tweede overwinning op Macedonië (slag bij Pydna (168 v.Chr.)) werd het koninkrijk Macedonië van de kaart geveegd en tot Romeinse provincia gedegradeerd.

Romeins-Seleucidische oorlog (192 - 188 v.Chr.)

[bewerken |brontekst bewerken]

DeRomeins-Seleucidische Oorlog is een onderdeel van de Macedonische oorlogen. In192 v.Chr. deed koningAntiochus III de Grote van Syrië een poging om de toenemende Romeinse macht over Griekenland terug te dringen. Hij leed echter een tweetal zware nederlagen tegen de Romeinen, die hem nu ook zijn macht inKlein-Azië gingen betwisten: het koninkrijkPergamum "bondgenoot" van Rome mocht onder Romeinse "bescherming" zijn macht uitbreiden over flink wat gebieden die tevoren aan Antiochus onderhorig waren geweest.

Vanaf190 v.Chr. begon het steeds duidelijker te worden dat geen mogendheid in het Middellandse Zeegebied op den duur stand zou kunnen houden tegen de oppermachtige Romeinse Republiek. Het zou echter nog wel anderhalve eeuw duren voordat de Romeinen de onderwerping van dit gebied hadden voltooid.

Inlijving van Pergamum

[bewerken |brontekst bewerken]
ZieAsia (Romeinse provincie) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In133 v.Chr. liet de kinderloze koningAttalus III Philometor van Pergamum zijn koninkrijk, dat wil zeggen een groot deel van westelijk klein-Azië, én al zijn schatten bij testament na aan de staat Rome. De Romeinen aanvaardden de erfenis, maar lieten de provincie aanvankelijk aan haar lot over, en er ontstond een machtsvacuüm en een periode van onrust in dit gebied. Pas in129 v.Chr. werdAristonicus I door consulMarcus Perperna overmeesterd.

Imperiale expansie en omgang met bondgenoten

[bewerken |brontekst bewerken]

De Romeinse Republiek was aanvankelijk eenstadstaat van een paar honderd km² en enkele tienduizenden inwoners. Door een reeks defensieve en offensieve oorlogen groeide deze uit tot het centrum van een federatie die heel hetApennijns Schiereiland omvatte. Daarna breidde de republiek zich uit tot eenImperium over het gehele Middellandse Zeegebied.

Rome sloot met de onderworpen staten afzonderlijke, maar gelijksoortige verdragen. Die hielden onder meer het recht in van "commercium" (handel drijven met Rome) enconubium (het sluiten van huwelijken met Romeinse burgers). Het waren verdragen op basis van ongelijkheid; de bondgenoten waren ondergeschikt aan Rome. Staten die hardnekkig weerstand aan Rome geboden hadden, riskeerden bovendien dat zij een aanzienlijk deel van hun akkerland aan Rome moesten afstaan. Op dit gebied werden "Romeinse" en "Latijnse" "kolonies" (landbouwnederzettingen) gesticht. Vaak bleef een deel van de oorspronkelijke bevolking hier alspachter wonen; die mensen kregen dan wel hetRomeins of Latijns burgerrecht.

Tegenover het verlies van zelfstandigheid stond echter de winst aan veiligheid. De honderden kleine stads- en stamstaatjes op een relatief klein gebied waren namelijk bijna onafgebroken met elkaar in oorlog, waarbij elk volk het risico liep te worden uitgeroeid of inslavernij te worden weggevoerd. Daarmee vergeleken bood aansluiting bij de Romeinse federatie dus bepaalde voordelen. Met de Romeinen viel echter niet te spotten. Hun verhouding tot onderworpenen werd gekenmerkt door het adagium:Parcere subjectis, sed debellare superbos, "De onderworpenen sparen, maar zij die hardnekkig tegenstand blijven bieden vernietigen". Dit 'vernietigen' kon letterlijk uitlopen op massaal afslachten van de bevolking: bijvoorbeeld deSamnieten in 82 v.Chr..

De Romeinse Republiek slaagde er aldus in de bondgenoten een gevoel van lotsverbondenheid bij te brengen. Dat bleek bijvoorbeeld na deSlag bij Cannae in 216 v.Chr., toen de Romeinen op eigen terrein verpletterend verslagen werden door de Carthagers. De meeste bondgenoten bleven Rome trouw, ook al zou het toen heel gemakkelijk geweest zijn om het Romeinse juk af te schudden.[bron?] Het alternatief was namelijk de onzekerheid van de pre-Romeinse tijd of een Carthaags juk.[bron?]

Dat wil niet zeggen dat er nooit problemen rezen tussen Rome en zijn bondgenoten. Nog in 91-90 v.Chr. kwam het tot de bloedigeBellum sociorum (Bondgenotenoorlog). De opstandige staten en stammen probeerden echter niet de Romeinse federatie vernietigen, maar ze verlangden daarbinnen een meer gelijkwaardige status. Na de opstand deels te hebben neergeslagen, gaf de Romeinse overheid toe aan diverse wensen van de opstandelingen.

Op den duur zou deLatijnse taal, die aanvankelijk door niet veel meer dan 5% van de bevolking van het Apennijnse schiereiland werd gesproken, de andere talen verdringen, een proces dat pas rond het begin van de christelijke jaartelling min of meer voltooid was. Het langst bleef hetGrieks in gebruik in het eertijds door de Grieken gekoloniseerde zuiden van Italië:Magna Graecia. Dit kwam doordat de Romeinen tegen het Grieks opkeken als de taal van beschaving bij uitstek. Je hoorde pas bij de elite als je naast Latijn ook Grieks sprak. Tot op de dag van vandaag zijn er enkele tienduizenden sprekers van het Griekse dialectGriko verspreid over Zuid-Italië.

Politieke en sociale structuur

[bewerken |brontekst bewerken]

De jonge Romeinse Republiek kende klassentegenstellingen: depatriciërs, waaruit deRomeinse Senaat werd gerekruteerd, waren eenaristocratie van grondbezitters, leden van de oude families van Rome die traditioneel de macht in handen hadden. Zij hielden deplebejers ("plebs" betekent "volk") als pachters over het algemeen goed in hun greep.

De republiek was een staatje van tussen de 500 en 1000 km² met zo’n 30.000 tot 40.000 inwoners. De klasse der grondbezitters maakte hooguit 5% van de bevolking uit, die van de kleine boeren ongeveer 60%. Deze twee klassen bezaten elk ruwweg de helft van de landbouwgrond. Daarnaast waren er landloze families, die een karige boterham verdienden als ambachtsman of landarbeider, en slaven, die toen nog niet erg talrijk waren.

De typische patriciër bezat misschien 100 hectare landbouwgrond, waarvan hij een klein deel door een handvol slaven en enkele landarbeiders liet bebouwen om in de voedselbehoeften van zijn eigen huishouding te voorzien. De rest verpachtte hij in stukjes van een paar hectare aan kleine boeren, wier eigen landbezit aan de krappe kant was. Deze kleine boeren waren over het algemeen net voldoende vermogend om zich de zware wapenrusting van een legioensoldaat te kunnen veroorloven, het teken dat je een volwaardig burger was. Zij hadden een nauwe, paternalistische band met hun landheer. Deze was, in de Romeinse juridische terminologie, depatronus, die een zekere zeggenschap had over zijncliëntes. Doorgaans stemden de cliëntes tijdens de volksvergadering op de kandidaat die hun patronus hen had aangewezen. Aan de andere kant kon de cliënt, als hij in juridische of economische moeilijkheden verkeerde, een beroep doen op zijn patronus.

De plebejers, die het overgrote deel van de bevolking uitmaakten, wilden meer invloed en kregen die ook, onder andere door het voor hen gecreëerde ambt vantribunus plebis (volkstribuun), die beschikte over een spreekwoordelijk geworden vetorecht. Het duurde echter tot366 v.Chr. voor er een niet-patriciër tot consul werd gekozen. Op den duur werkte een deel van de plebejers zich op tot grotere welstand, bijvoorbeeld door de handel of het beroep van belastingpachter. Zij staan bekend als "equites" (ruiters) omdat zij voldoende vermogend waren om in het leger als ruiter te dienen, met een eigen paard. De politieke vertegenwoordigers van de plebejers kwamen altijd voort uit deze rijke bovenlaag. Op de lange duur zou de grens tussen "equites" en patriciërs in sterke mate vervagen.

Vergroting sociale spanningen, 3e en 2e eeuw v.Chr.

[bewerken |brontekst bewerken]
De Romeinen kenden eigenlijk maar twee echte kledingstukken: de toga (hier afgebeeld) en de tunica. Detoga werd gedragen bij belangrijke gebeurtenissen, en detunica bij het werken in huis. Vrouwen droegen in plaats van een toga een soort wit wollen gewaad,stola genaamd.

Met de expansie van de Republiek veranderden de sociale en politieke verhoudingen; vooral in de loop van detweede eeuw voor Christus werd dit proces onmiskenbaar. Het landbezit van de patriciërs nam toe; met hun politieke connecties wisten zij een groot deel van het bij de veroveringen verworven land in de wacht te slepen: zij bezaten grote landgoederen, delatifundia, van vele honderden, zo niet duizenden of tienduizenden hectaren land. De kleine boer, de steunpilaar van het Romeinse leger, kreeg het echter moeilijker. De oorlogen werden steeds vaker ver van huis gevoerd en vereisten een afwezigheid van maanden, zo niet jaren. Nu betaalde de Republiek haar soldaten wel een soldij, maar die was net voldoende om de soldaten te velde hun eigen voedsel te laten kopen. De familie moest zich thuis zien te redden zonder de sterkste man voor het zware werk. Bij een langdurige afwezigheid kon dit gemakkelijk tot de ondergang van het gezinsbedrijf leiden. Men maakte schulden en moest uiteindelijk het beetje land dat men bezat verkopen. Het aantal kleine boeren nam af en het aantal slaven toe. De grondbezitters lieten een steeds groter deel van hun land rechtstreeks door legertjes van slaven bewerken. Verarmde boeren trokken naar de hoofdstad, waar zij een omvangrijkproletariaat vormden.

Bovendien kon een boer de volksvergaderingen in Rome alleen bijwonen wanneer hij dicht bij Rome woonde; met de uitbreiding van de Republiek woonde op den duur nog maar een kleine minderheid van de Romeinen op minder dan een dagreis van Rome. En dat waren voor het grootste deel geen kleine boeren meer - de steunpilaar van de staat - maar landloze stadsbewoners, "proletariërs", die zich gemakkelijk lieten opzwepen door volksmenners (het woordvolkstribuun kreeg toen al eenpejoratieve bijklank). Zo werd het electoraat in samenstelling steeds minder representatief voor de Romeinse burgers in hun totaliteit, en verschoof het precaire evenwicht tussen de democratische en aristocratische elementen in de staatsstructuur ten gunste van de aristocratische elementen.

Sociale Onrust (133 - 44 v. Chr.)

[bewerken |brontekst bewerken]

Tiberius en Gaius Sempronius Gracchus

[bewerken |brontekst bewerken]

De meeste senatoren zagen de verarming van de kleine boeren niet als een probleem, want zij zelf werden rijker en rijker. Enkelen uit de bezittende klasse, die bestond uit patriciërs enequites, beschouwden de achteruitgang van de klasse der vrije boeren wel als een bedreiging voor de Republiek. Onder hen waren de gebroedersTiberius enGaius Sempronius Gracchus. Tiberius Gracchus pleitte er rond 133 v.Chr. - in de functie vanvolkstribuun - voor dat de staat recent door rijke grondbezitters ingepikte landerijen zou terugnemen. Deze landerijen behoorden tot deager publicus, land dat door verovering aan de staat was gekomen. Het teruggevorderde land moest volgens Gracchus worden gebruikt om landloze families in staat te stellen een landbouwbedrijfje te stichten. Hij stuitte op felle tegenstand van de senatorenklasse en werd ten slotte vermoord. Na zijn dood probeerde zijn broer Gaius het opnieuw, met grovere methoden. Hij werd ten val gebracht en moest zelfmoord plegen om niet in handen van zijn tegenstanders te vallen.

Er was nu echter een trend gezet, die van de strijd tussen deoptimates, een partij van senatoren die alles bij het oude wilden laten en het volk op zijn plaats wilden houden, en depopulares, telgen van de rijkere families die bereid waren tot concessies aan het volk om zodoende met steun van de volksmassa deels de eigen ambities beter te kunnen nastreven, deels ook wel om sociale problemen te verhelpen.

Burgeroorlogen en dictatuur, 90 – 31 v.Chr.

[bewerken |brontekst bewerken]
Lucius Cornelius Sulla

In90 v.Chr. kon generaalMarius het maar moeilijk aanvaarden datSulla, zijn vroegere adjudant, werd benoemd tot generaal voor de oorlog tegenMithridates van Pontus. Zodra Sulla vertrokken was naar Azië liet Marius zichzelf via een volkstribuun in de plaats van Sulla benoemen tot generaal tegen Mithridates. Toen Sulla dit hoorde, keerde hij met zijn leger terug naar Rome en liet hij veel van Marius' aanhangers vermoorden. Marius zelf was naarCercina gevlucht, een eiland voor de kust van Afrika waar veel van zijn veteranen woonden.

In87 v.Chr., toen Sulla met zijn leger naar Griekenland was vertrokken, keerde Marius terug naar Rome en richtte op zijn beurt een geweldig bloedbad aan onder de aanhangers van Sulla, waarbij ook veel onschuldige burgers omkwamen. Daarna liet hij zich tot consul uitroepen, dat was zijn zevende consulschap. Zeventien dagen later stierf hij.

Sulla was inmiddels met zijn legers naar Rome teruggekeerd. Met behulp vanGnaeus Pompeius versloeg hij de troepen van Marius en richtte opnieuw een bloedbad aan onder de aanhangers van Marius, waarbij ook weer vele onschuldige burgers omkwamen. Hij liet zich daarna door de senaat benoemen totdictator voor zo lang als hij wilde. Tijdens zijn schrikbewind riep Sulla een systeem van beloningen in het leven voor het aangeven van 'verraders'. Door dit beruchte systeem van deproscriptiones werden talloze onschuldige mensen vervolgd, veroordeeld en terechtgesteld, waarbij hun bezittingen in beslag werden genomen. Sulla, die patriciër was, begon ook langzaam de rechten van de plebejers in te perken. In79 v.Chr. trok Sulla zich terug uit de politiek, zijn naam bleef voortleven als het voorbeeld van een gewetenloze dictator. Als consul worden hij enMetellus opgevolgd doorAppius Claudius Pulcher enPublius Servilius Vatia.

In 70 v.Chr. wordenCrassus enPompeius consuls en sterke mannen. Zij draaiden veel van Sulla's maatregelen terug. Later vormden Crassus en Pompeius samen metJulius Caesar (oomzegger van Marius, die aangetrouwde familie was) een driemanschap (Eerste Triumviraat, 60 v.Chr.). De bedoeling van het Triumviraat was een herhaling van de burgeroorlogen uit de tijd van Marius en Sulla te voorkomen. Helaas kregen de "driemannen" ook ruzie onder elkaar.

Om Caesars politieke carrière op te smukken en om zijn enorme schulden af te betalen, waagde hij zich aan deGallische Oorlog (58-51 v.Chr.). Crassus sneuvelde in eenoorlog tegen deParthen en daarna vlogen Pompeius en Caesar elkaar in de haren. Een buitengewoon bloedigeburgeroorlog tussen Pompeius en Caesar (49-45 v.Chr.) brak uit. In de door Caesar gewonnenSlag bij Munda (45 v.Chr.) sneuvelden tienduizenden Romeinse burgers. Na deze overwinning kon Caesar alle macht aan zich trekken.

Veel senatoren zagen de enorme macht van Julius Caesar met lede ogen aan en verkondigden dat hij weer een monarchie wilde oprichten met hemzelf als koning. Sommigen waren van mening dat er drastische maatregelen moesten worden genomen om de ondergang van de republikeinse staatsvorm af te wenden. Zo kwam het in44 v.Chr. tot de moord op Julius Caesar in de senaatszaal.

Van Republiek naar Alleenheerschappij (principaat) (44 - 31 v.Chr.)

[bewerken |brontekst bewerken]

De samenzweerders waren echter niet in staat zich te handhaven tegen de nieuwe leider van Caesar's partij,Marcus Antonius. Deze sloot een nieuw driemanschap, met Caesars neef en adoptiezoonOctavianus enLepidus (Tweede Triumviraat). Toen dit driemanschap echter de moordenaars van Caesar had verslagen, brak er een burgeroorlog uit tussen Marcus Antonius en Octavianus. In deslag bij Actium (31 v.Chr.) werden de strijdkrachten van Marcus Antonius en zijn bondgenoot en minnaresCleopatra vernietigend verslagen waardoor Octavianus de overgebleven alleenheerser was.

Augustus

In27 v.Chr. werdOctavianus, door handig manoeuvreren en na enige 'druk' uitgeoefend te hebben op onwillige senatoren, benoemd totprinceps, 'eerste burger'. In theorie was hij gewoon lid van de senaat, maar dan wel als 'eerste spreker' die als eerste zijn mening mocht geven over aan de orde zijnde kwesties. Het was in de praktijk 'riskant voor je gezondheid' om tegen die mening in te gaan.

In 23 v.Chr. deed hij afstand van de functie van consul die hij tot dan toe had vervuld. Hij kreeg detribunica potestas, wat hemvetorecht opleverde. Daarbovenop bezat hij al hetimperium proconsulare (opperbevel) over alle legioenen en de mogelijkheid deze ook te laten ingrijpen in de senatoriale provincies. Daar hij echter niet in alle provincies tegelijk kon zijn, droeg hij zijnimperium militiae (bevel over het leger) over oplegati die echter slechts mochten handelen met zijn toestemming. Octavianus kreeg van de Senaat ook de religieus beladen eretitelAugustus (de verhevene), en met de titelpontifex maximus (opperpriester) kreeg hij de leiding van deRomeinse eredienst.

De functie van princeps en vele andere zijn nooit formeel erfelijk geworden. Als princeps kon Augustus wel zijn invloed aanwenden om zijn erfgenaam tot de op een na belangrijkste man te maken, waardoor deze geheid de nieuwe princeps zou worden. Augustus is zichzelf altijd blijven beschouwen als eenprimus inter pares (eerste onder de gelijken) ten opzichte van de Senaat, maar deze houding valt al snel weg bij zijn opvolgers.

Met Octavianus' (= Augustus) alleenheerschappij in 31 v.Chr. was in feite de republikeinse staatsvorm ten onder gegaan en hetRomeinse Keizerrijk oftewelprincipaat ingevoerd: een staatsbestel dat, met behoud van enkele republikeinse uiterlijke vormen, in feitemonarchaal van aard was.

Zie ook

[bewerken |brontekst bewerken]

Voetnoten

[bewerken |brontekst bewerken]
Overgenomen van "https://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Romeinse_Republiek&oldid=70065222"
Categorieën:
Verborgen categorieën:

[8]ページ先頭

©2009-2026 Movatter.jp