Eenreisverhaal in engere zin is een realistisch gepresenteerdreisverslag, waaraan algemeen een zekere literaire waarde wordt toegekend. Anders dan een reisverslag is het geen rapportage aan een belanghebbende, maar is het bedoeld voor een breder publiek.
Niettemin is voor de vroegste reisbeschrijvingen vaak moeilijk een onderscheid te maken tussen reisverslag en reisverhaal: historische reconstructie kan problematisch zijn, waardoor niet steeds het waarheidsgehalte of het bestaan van een opdrachtgever te achterhalen zijn. Daarbij komt dat deze oudste werken inmiddels hun rapportagekarakter goeddeels hebben verloren. Wel kunnen zij vaak nog als onmisbaar geschiedkundig onderzoeksobject dienen, maar voor de algemene lezer zijn zij evenzeer van belang als (literair) verhaal.
Het waarheidsgehalte van een reisverhaal kan in het geding zijn doordat niet langer te achterhalen valt of de schrijver eengoed waarnemer was.
Het reisverhaal kan ook op geheel andere gronden in twijfel worden getrokken. Er bestaat een grote categorie reisverhalen die niet of nauwelijks op waarheid berusten doordat de auteur ze (grotendeels) heeft verzonnen, de zogehetenimaginaire reisverhalen. Enkele zeer bekende voorbeelden van imaginaire reisverhalen zijnRobinson Crusoe vanDaniel Defoe,Gullivers reizen vanJonathan Swift enReize door het Aapenland vanGerrit Paape[1]. Een verhaalgenre dat zeer nauw aan verwant is aan het imaginaire reisverhaal is derobinsonade[2]. Vooral voor de tijdgenoten van de schrijver was het waarheidsgehalte in het verleden nauwelijks te controleren: de middelen tot reizen en tot communiceren ontbraken daartoe.
Dit fictieve karakter vormt bij oudere reisverhalen voorwerp van onderzoek. Het leidt er weliswaar toe dat zij niet zonder meer alshistorische bron kunnen worden gebruikt, maar aan hunliteraire kwaliteit doet het niets af; de fictionaliteit kan het literaire belang zelfs vergroten. Zo isDaniel Defoe zeer bewonderd om de illusie van realiteit die hij aan zijn (geheel verzonnen) werken wist te verlenen, en zijn de technieken die de auteur daarbij toepaste, intensief bestudeerd.
Een andere vraag die zich voordoet, is die naar dedoelstelling: draait het verhaal om die reis, of wordt de reis slechts als toevallige achtergrond gebruikt? Als dit laatste zeer sterk het geval is, heeft het weinig zin nog van een reisverhaal te spreken; maar vaak is het niet een kwestie van voorgrond of achtergrond: vele gradaties zijn mogelijk, en het element "reis"kan diverse functies vervullen in het verhaal.
Er bestaat een uitgebreide Chinese reisliteratuur. Die heeft vaak het karakter van eenreisverslag, zie aldaar.
De Indiase reisliteratuur is schaarser dan de Chinese. Wel is een biografie bekend van de Kasjmirse prins Goenawarman, die rond 400 als boeddhistisch zendeling naar de Indonesische Archipel kwam, om na 424 door te reizen naar China. Zijn levensbeschrijving ontstond een eeuw na zijn overlijden.
In de Japanse literatuur bestaan reisverhalen van een hoog literair gehalte.
In de middeleeuwse literatuur, waarin de christelijke benadering van het leven en van het beschrevene domineert, spelenallegorie en didactiek een grote rol in de letterkunde, die vaak bedoeld is om de lezer te stichten, te bekeren of te instrueren. Voor dit doel kon de reis als symbool worden gebruikt. De betreffende teksten zijn vaak niet erg streekgebonden wat hun lezerspubliek betrof: natiestaten bestonden nog niet of nauwelijks, en de taalbarrière werd overwonnen door hetzij gebruik van het Latijn, hetzij (vrije) vertaling en bewerking.
Aan het einde van de Middeleeuwen maakt de allegorie allengs plaats voor groter realisme, maar haar rol is dan zeker niet uitgespeeld. Nog inThe Pilgrim's Progress (1678) vanJohn Bunyan is het de lezer duidelijk dat het niet om een werkelijke tocht gaat, maar om de reis naar de spirituele redding, met smalle paden en gevaren op de weg.
De reis kan ook een zoektocht naar persoonlijke ontwikkeling zijn: een voorbeeld isSiddharta (1922) vanHermann Hesse, waarin het doel van de reis tevens de persoonlijke bevrijding inhoudt. Hier is eerder sprake vanvormingsromans dan van een reisverhaal.
DeKruistochten openden de middeleeuwers de ogen voor de hen omringende wereld; bij de nieuwe informatie die tot hen kwam, waren ook reisverhalen als die overRichard Leeuwenhart. Er bleek een wereld buiten Europa te bestaan, en de kennis van die wereld werd allengs feitelijker. Niet alleen werd er veel over de kruistochten geschreven, ook bedevaarten waren interessante onderwerpen van de reisverhalen.
Toch valt het begin van de realistische reisverhalen veel vroeger in de Middeleeuwen te plaatsen. Zo spande KoningAlfred van Wessex (Engeland, 849—899) zich in voor de herleving van de kennis in zijn land, en vertaalde daartoe zelf een aantal boeken. In een boek van de Spaanse priester Orosius laste hij verslagen in van de reis die de Noor Ohthere maakte naar hetnoordpoolgebied en deWitte Zee, en van de tocht van de reiziger Wulfstan naar deOostzee. (Deze reiziger was een ander dan de bekendebisschop Wulfstan.) Het ging hier dus om reizen van beperkte lengte: men bleef binnen Europa.
Met toenemende kennis nam het realisme toe, en reeds in de late Middeleeuwen zien we een overgang naar de verhalen over ontdekkingsreizen en tochten naar onbekend gebied. Het bekendst is uiteraardMarco Polo (1254—1324), wiens beschrijving van reizen tot aanChina eeuwenlang als leidraad hebben gediend voor de kennis van Azië. Zijn werk,Il milione ("De miljoen"), is niet door hemzelf geschreven maar na 1295 gedicteerd aan Rustichello of Rusticiano, een schrijver van romances. Er is wel aangenomen dat Marco Polo niet verder is gekomen danPerzië. Het meerderheidsstandpunt is tegenwoordig echter datIl milione een getrouw verslag is van wat hij zag en hoorde; dat dit niet altijd strookte met de werkelijkheid, kwam doordat hij een aantal gegevens uit de tweede hand vernam.
De bekende laat-middeleeuwse reisverhalen zijn niet beperkt tot die van Europeanen. In de veertiende eeuw maakte de uitTanger afkomstigeIbn Battuta reizen naar alle islamitische landen (Klein-Azië,Afrika, deMaldiven enIndia). Ook zijn reisverhaal, deRihla(h) ("Reizen"), werd gedicteerd. Ibn Juzzay, die het in 1353 optekende, maakte het onopgesmukte proza sierlijk en voegde er bovendien poëziefragmenten aan toe.
Na deMiddeleeuwen doen zich nieuwe ontwikkelingen voor, enerzijds in de maatschappelijke en algemeen-literaire context, anderzijds, en als afspiegeling daarvan, op het meer specifieke terrein van de reisverhalen.
De tijd van de grote ontdekkings- en verkenningsreizen treedt in, de nieuwsgierigheid van de West-Europese mens naar de wereld die tot dusver buiten zijn blikveld lag, alsook het loutere besef dat er zo'n wereldbestaat, doet de honger naar nieuws, naar verslagen, verhalen en naar nieuwe belevenissen toenemen. Allengs komt ook dejournalistiek op. In de literatuur doet hetRealisme zijn intrede (de term zelf is van later datum): de opvatting dat de literatuur weliswaar geen werkelijkheid hoeft te bieden, maar dan toch eenillusie van werkelijkheid. De literatuur, althans segmenten van die literatuur, moeten die werkelijkheid natuurgetrouwimiteren.
Tegelijkertijd is veel van die werkelijkheid nog nieuw. Dat blijkt uit de namen die aan nieuwe gebieden worden gegeven: de "Nieuwe Wereld" heet nu eens "Nieuw Spanje", dan weer "Nieuw Frankrijk" of "Nieuw Engeland". Veel van dat nieuwe is verbazingwekkend, ongelooflijk of simpelweg nog onbekend: een wereld van wonderen, waarbij nog allerminst zeker is wat men zal aantreffen, wat mogelijk zal blijken en wat er in de onbekende werelden allemaal niet bestaat.
Doordat aanvankelijk vooralPortugal,Spanje enItalië domineerden bij het ontdekken van nieuwe werelden, zijn het eerst ook die landen die reisverhalen leveren. De reis om de wereld vanFerdinand Magellaan werd meegemaakt door de ItaliaanPigafetta, die een verslag van zijn zeevaarten maakte; maar een verslag dat van tijd tot tijd fantastisch genoeg is om als reisverhaal te worden beschouwd. Vele reisverhalen van Spanjaarden overPeru brachten demestiesGarcilaso de la Vega er zelfs toe een geschiedenis van deInca's te schrijven, die men als een soort omgekeerde reisbeschrijving zou kunnen beschouwen: hij schreef zijn werk om, als insider, de vele misvattingen te kunnen corrigeren die hij in de Spaanse verslagen had aangetroffen.
In de achttiende eeuw is de dominantie over de zeeën goeddeels door deEngelsen en deFransen overgenomen, en komen ook de reisverhalen die de meeste aandacht verdienen, bij die volkeren vandaan.
Deze reisverhalen vallen, zeer grofweg, te groeperen volgens een driedeling:
In de praktijk lopen deze categorieën sterk dooreen, en is soms waarheid moeilijk van verdichtsel te onderscheiden. Dit was voor de lezende tijdgenoot al moeilijk, maar de discussie over het waarheidsgehalte van sommige werken heeft ook onder wetenschappers tot in de twintigste eeuw voortgeduurd.
Historische reisverhalen blijven een populair genre. In het Nederlandse taalgebied legt deLinschoten-Vereeniging zich met de reeks Werken uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging zich toe op het uitgeven van historische reisverhalen in hun oorspronkelijke vorm, zonder hertaling naar modern Nederlands. Dit maakt van de Werken niet enkel een interessante historische bron - ook dankzij de inleiding die het verhaal in zijn historische context plaatst - maar ook voor taalwetenschappers vormen de teksten uniek werkmateriaal om evoluties in onze taal te bestuderen. DeHakluyt Society werkt op eenzelfde manier in de Angelsaksische wereld. Daarnaast zijn er talloze uitgaven van historische reisverhalen in een moderne hertaling; vooruitgeverijen zoals deWalburg Pers, Verloren, Terra Incognita,Atlas (Nederlands) of de Editions Chandeigne (Frans) vormen ze een belangrijk onderdeel van hun fonds.
Reisverhalen vertonen in de twintigste en eenentwintigste eeuw een veelheid van vormen. Enerzijds is er het vrij zakelijk geschreven verslag, dat echter tegelijkertijd een verhalend karakter heeft. Zeer uiteenlopende voorbeelden zijnKampvuren langs de Evenaar, een reisverhaal over wederwaardigheden in Afrika van DrPaul Julien, dat in de twintigste eeuw zeer bekend was; maar ookJohn Hillaby'sJourney through Britain, het verhaal van de (bekende) tocht van het uiterste zuiden naar het extreme noorden van het eiland, maar ditmaal te voet afgelegd.
Anderzijds kan het literaire element een dominante rol spelen. Vorm en structuur van het verhaal treden op de voorgrond, de verteller krijgt de meeste aandacht met zijn of haar stemmingen, indrukken, observaties en belevenissen tijdens de reis.
In al deze gevallen kan voor een veelheid van structuren worden gekozen, van het dagboekachtige tot het beeldend-verhalende.
Het motief van de reis is in talloze literaire werken overdrachtelijk gebruikt, en vormt zelfs een van de meest voorkomende verhaalstructuren. Reisverhalen zijn deze werken echter niet: de reis is erin een structurerend element of motief. In talloze verhalen is de reis niet meer dan een achtergrondgegeven: er komen reizen in voor, maar zij gaan nietover reizen, en zijn dus geen echte reisverhalen.
Zo is een vroege roman alsThe Unfortunate Traveller (1594) vanThomas Nashe geen reisverhaal, ondanks de titel: het is veeleer een schelmen- of avonturenroman, in de vorm van een reis gegoten om het avontuur nog extra cachet te geven voor de thuisgebleven lezer.
En de reis kan als raamwerk worden gebruikt voor eenraamvertelling: een bekend voorbeeld zijn deCanterbury Tales (eind 14e eeuw) vanGeoffrey Chaucer. Daarbij is de reis vanuit het oogpunt van plot een vrij toevallige bijkomstigheid, terwijl de aandacht van de lezer in werkelijkheid op de afzonderlijke verhalen wordt gevestigd.
Enkele auteurs die (vaak naast ander werk) reisverhalen geschreven hebben, zijn: