In hetNieuwe Testament komt de term προφήτης,prophētēs 144 keer voor, vooral inMatteüs,Lucas,Handelingen enJohannes. Het gebruik verwijst naar iemand die goddelijk geïnspireerde boodschappen verkondigt. Hij kan de toekomst zien (Handelingen 11:28), het verleden kennen (Johannes 4:19) en in het hart van iemand kijken (Lucas 7:39), maar is hoofdzakelijk een verkondiger van het woord, geen magiër of waarzegger. Ook de heidense (niet-Joodse)Bileam wordt een profeet genoemd (2 Petrus 2:16) en deKretenzer inTitus 1:12. Naar de profetische woorden in hetOude Testament werd verwezen als "de Profeten" (bijvoorbeeld in Matteüs 5:17; 7:12; 11:13; 22:40).
OverJohannes de Doper, een op Elia gelijkende profetische figuur, werd gezegd: "iedereen hield Johannes voor een echte profeet" (Marcus 11:32; Matteüs 21:26; Lucas 20:6).Jezus beschouwde hem zelfs het hoogtepunt van de profetische traditie: "Maar wat zijn jullie dan wel gaan zien? Een profeet? Jazeker, zeg ik jullie, en zelfs meer dan een profeet" (Matteüs 11:7-15; Lucas 7:24-28).
Jezus verwees naar zichzelf slechts één keer als profeet en dat impliciet (Lucas 13:33), maar hij werd algemeen beschouwd als een profeet (zoals inMarcus 6:15; Matteüs 21:11) en zijn leerlingen beschouwden hem als zodanig (Lucas 24:19; Handelingen 3:22). Ook anderen werden in hetvroege christendom expliciet profeet genoemd, zoalsAgabus (Handelingen 11:28; 21:10),Judas Barsabbas enSilas (Handelingen 15:(22,)32). Het onderscheid tussen leraar en profeet was niet altijd duidelijk (Handelingen 13:1).
Ook vrouwen konden profeet zijn (Handelingen 2:17-18;1 Korintiërs 11:5), zoalsAnna (Lucas 2:36) en de vier dochters vanFilippus (Handelingen 21:8-10), maar ook een 'valse' profetes, zoals die metIzebel wordt aangeduid (Openbaring 2:20).
Daarnaast wordt beschreven dat ervalse profeten waren die niet uit naam van God spraken. De mensen worden door Jezus en zijnapostelen voor hen gewaarschuwd (Matteüs 7:15; Marcus 13:22).