| Archiepiscopatus Rigensis | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Kerkelijke staat onder deHeilige Stoel te Rome | |||||
| |||||
| Kaart | |||||
| (Het Prinsbisdom Riga in geel) | |||||
| Algemene gegevens | |||||
| Hoofdstad | Riga | ||||
| Talen | Nederduits,Lets | ||||
| Regering | |||||
| Staatshoofd | Bisschop | ||||
Hetprinsbisdom Riga was het wereldlijk gebied van deprins-bisschop en lateraartsbisschop vanRiga onder de soevereiniteit van deHeilige Stoel in Rome.
Zij werd in 1186 inÜxküll doorMeinhard van Segeberg opgericht als het bisdomLijfland, vervolgens na verplaatsing naar Riga in 1202 doorAlbert van Riga als het bisdom Riga.
Tijdens deLijflandse Kruistocht veroverden deOrde van de Zwaardbroeders en bisschop Albert van Riga de rest van Lijfland. In 1209 werd Visvaldis, de vorst vanJersika, militair verslagen door bisschop Albert en de Orde van de Zwaardbroeders. Hij werd gedwongen zijn koninkrijk aan Albert te schenken, waarna hij een deel ervan alsleengoed van het Bisdom Riga terug kreeg. In 1214 sloten de heersers van het vorstendomTālava een verdrag met bisschop Albert van Riga, waardoor het noordelijke deel van het vorstendom naar het bisdom ging.
In 1228 sloot depauselijk legaatWillem van Modena een compromis tussen de bisschop en de Orde, waarbij de Orde twee derde en de bisschop een derde van het gebied in handen kreeg. Hetvorstendom Koknese ging, na in 1209 veroverd te zijn door de Zwaardbroeders, in 1238 naar het bisdom.
In 1255 werd Riga verheven tot aartsbisdom van het gehele Baltische gebied inclusiefPruisen.[1]
Na dehervorming werd het gebiedlutheraans en de positie van de bisschop bleek onhoudbaar. DeLijflandse Oorlog van 1558 tot 1582 betekende het einde van de oude machtsstructuren. In 1561 trad de laatste bisschop,Willem van Brandenburg, af. Riga verklaarde zich een vrije stad, en de landdag van deLijflandse Confederatie vroeg de bescherming aan vanSigismund II, grootvorst vanLitouwen en koning vanPolen. In 1566 werd het een deel van hethertogdom Lijfland onder hetPools-Litouwse Gemenebest.
| Bisdom Lijfland, 1186–1255 | |
|---|---|
| 1186–1196 | Meinhard van Segeberg |
| 1196–1198 | Berthold van Hannover |
| 1199–1229 | Albert van Riga |
| 1229–1253 | Nikolaus van Nauen |
| Aartsbisdom Riga, 1255–1561 | |
| 1245–1273 | Albert Suerbeer |
| 1273–1284 | Johannes I van Lune |
| 1285–1294 | Johannes II van Vechten |
| 1294–1300 | Johannes III van Schwerin |
| 1300–1302 | Isarnus Tacconi van Fontiès-d'Aude |
| 1303–1310 | Jens Grand (titulair, was nooit in Riga) |
| 1304–1341 | Friedrich van Pernstein |
| 1341–1347 | Engelbert van Dolen |
| 1348–1369 | Bromhold van Vyffhusen |
| 1370–1374 | Siegfried Blomberg |
| 1374–1393 | Johannes IV van Sinten |
| 1393–1418 | Johannes V van Wallenrodt |
| 1418–1424 | Johannes VI Ambundi |
| 1424–1448 | Henning Scharpenberg |
| 1448–1479 | Silvester Stodewescher |
| 1479–1484 | -Sede vacante- |
| 1484–1509 | Michael Hildebrand |
| 1509–1524 | Jasper Linde |
| 1524–1527 | Johannes VII Blankenfeld |
| 1528–1539 | Thomas Schöning |
| 1539–1563 | Wilhelm van Brandenburg |