Poort van Beusdael | ||||
---|---|---|---|---|
![]() | ||||
De Poort van Beusdael in 2021 | ||||
Locatie | ||||
Locatie | Maastricht-Wyck,Hoogbrugstraat 43 | |||
Adres | Hoogbrugstraat 43![]() | |||
Coördinaten | 50° 51′ NB, 5° 42′ OL | |||
Status en tijdlijn | ||||
Oorspr. functie | poorthuis | |||
Huidig gebruik | kantoor | |||
Start bouw | 16e eeuw? | |||
Verbouwing | 1690 | |||
Restauratie | 1947 | |||
Architectuur | ||||
Bouwstijl | Maaslandse renaissance | |||
Erkenning | ||||
Monumentstatus | rijksmonument | |||
Monumentnummer | 27798 | |||
|
DePoort van Beusdael, vroeger abusievelijk aangeduid alsRefugie van Meerssen, is het voormaligepoorthuis van deheren van Beusdael in het centrum van deNederlandse stadMaastricht. Het gebouw ligt op de hoek van deHoogbrugstraat en de Ruiterij in het stadsdeelWyck en is sinds 1966 geklasseerd alsrijksmonument.[1]
De herkomst van de aanduiding 'poort' of 'poorthuis' voor een aanzienlijk huis in Maastricht, is onzeker. Mogelijk verwijst het naar de ligging van dergelijke huizen binnen depoorten van de stad. Door het bezit van een huis in de stad, kwam hetpoorter- of burgerschap binnen handbereik van adellijken die gewoonlijk buiten de stad verbleven, voor zover men al nietbuitenburger was.[2] Vermoedelijk duidt de benaming 'poort' tevens op de inrijpoort, die zulke huizen kenmerken. Vrijwel alle bekende poorthuizen in Maastricht behoorden aan adellijke geslachten; slechts twee 'poorten' waren eigendom vanmagistratengeslachten. Circa twintig Maastrichtse poorten zijn met name bekend. Daarvan lagen er vier in Wyck: de Poort van Scharrenburg, de Poort van Gulpen (ook Vroenhof genoemd), de Poort van Sint-Gillis en de Poort van Beusdael.[3]
Waarschijnlijk is de lokale geschiedschrijverMartinus van Heylerhoff (1776-1854) de eerste geweest die de Poort van Beusdael ten onrechte aanduidde als Refugie van Meerssen, menende dat dit hetrefugiehuis was geweest van deproost van Meerssen.[noot 1] De misvatting, die anderhalve eeuw stand hield, is vrijwel zeker het gevolg van een verkeerde interpretatie van het bekende stadspanorama van Simon de Bellomonte uit circa 1575. Daarop wordt in Wyck inderdaad een gebouw aangeduid als "Domus Prepositi Mersensis in Wick", ongeveer ter plekke van de Poort van Beusdael. Het "huis van de proost" lag echter iets zuidwestelijker, ongeveer waar nu de Ruiterij ligt. Op de eveneens omstreeks 1575 getekende plattegrond van Maastricht in de stedenatlasCivitates orbis terrarum vanBraun enHogenberg is de exacte locatie van de Refugie van Meerssen aangegeven.[4] De Refugie van Meerssen is mogelijk in 1579 tijdens hetBeleg van Maastricht door Alexander Farnese, prins van Parma geheel verwoest. Het perceel bleef tot 1760 onbebouwd en was ook daarna tot aan deFranse Tijd in bezit van de Proosdij van Meerssen.[5]
Zoals veel adellijke families, bezaten de heren van Beusdael, eigenaren van hetKasteel van Beusdael inSippenaeken (tegenwoordigprovincie Luik), een 'poorthuis' in een nabije stad, in dit geval in Maastricht.[noot 2] De heerlijkheden Beusdael en Sippenaken, oorspronkelijk bezit van de familie Van Eys, waren in 1577 door huwelijk overgegaan op hetAkense magistratengeslacht Colyn,[6] waarvan de mannelijke erfopvolgers zich vervolgens 'heren van Beusdael' mochten noemen.[noot 3] In 1589 is er in de Maastrichtseschepenbrieven voor het eerst sprake van "den Heer van Beusdael erff", gelegen naast het terrein waarop de hierboven vermelde Refugie van Meerssen had gestaan. In 1646 stond met zekerheid een huis op dit erf.[8] De laat-gotische bouwstijl van een deel van het complex duidt echter wel degelijk op een vijftiende of zestiende-eeuwse oorsprong.[9]
Na ongeveer een eeuw in bezit van de familie Colyn van Beusdael te zijn geweest, werd het gebouw in 1686 door Jan Adolf Colyn, gedwongen door financiële moeilijkheden, voor 4300gulden verkocht aan Michiel Peerboom.[noot 4] De uitEijsden afkomstige bierbrouwer, koopman en geldschieter Michiel Peerboom(s) (ca. 1632-1694) liet het huis in 1690 vernieuwen. De huidige gevel in lateMaaslandse renaissancestijl dateert uit die tijd, inclusief de wapensteen met hetalliantiewapen van Peerboom en zijn echtgenote Cornelia Vliexs. Het is niet bekend of er ook bedrijfsactiviteiten plaatsvonden, zoals elders in Wyck of in Peerbooms'watermolen De Reek. In elk geval woonde hij er met zijn gezin. Bij de dood van de weduwe Peerboom-Vliexs in 1704 liet ze aan haar drie kinderen ruim honderdduizend gulden na, daarnaast de bierbrouwerij De Vels in Wyck, de watermolen De Reek, een twintigtal huizen en diverse andere bezittingen.[11]
De verdere bewoningsgeschiedenis in de achttiende eeuw is onduidelijk. Vanaf 1788, wellicht al vanaf 1783,[noot 5] is er weer enigszins vaste grond. Toen werd het huis bewoond door Anna Maria Bernardina Apollonia Philippa, gravin van Hoensbroeck-Geul (1729-1798), laatste telg uit het geslachtVan Hoensbroeck-Geul. Ze trouwde 19 jaar oud in 1748 metFrans Xavier, graaf van Hohenzollern-Hechingen (1720-1765). Na de dood van haar man woonde ze waarschijnlijk afwisselend op hetfamiliekasteel te Geulle en in haar stadswoning te Wyck. Mogelijk huurde ze de Poort van Beusdael, want het kasteel was begin negentiende eeuw nog steeds in bezit van nazaten van Michiel Peerboom.[12]
Op 17 januari 1803 werd het pand publiekelijk geveild.[noot 6] De toenmalige eigenares, Maria Emerentiana van Pinninck (1743-1823), had het huis via de familie van haar moeder (De Lenaerts) geërfd, maar woonde zelf aan deBoschstraat. De nieuwe eigenaar, Chrétien Mathieu Bronkers, betaalde er 14.000 gulden voor. In 1834 vestigden de uit het FranseNoyers afkomstige broersToussaint en Antoine Cartisser een atelier voorgebrandschilderd glas in de Poort van Beusdael.[noot 7] De gebroeders Cartisser behoorden in de eerste helft van de negentiende eeuw tot de toonaangevende glaskunstenaars in Nederland. Zo namen ze in mei 1841 met een viertal glaspanelen deel aan deTentoonstelling van Levende Meesters inDen Haag. Een maand later bezocht koningWillem II bij zijn bezoek aan Maastricht het atelier aan de Hoogbrugstraat, waaruit diverse opdrachten voortvloeiden. In 1843 vervaardigden ze een drietal ramen voor deSint-Servaaskerk, die echter niet bewaard zijn gebleven. Vanaf 1855, en waarschijnlijk al eerder, zijn de broer als glazeniers werkzaam inParijs.[16]
Waarschijnlijk huurden de gebroeders Cartisser de Poort van Beusdael, of een deel daarvan, want volgens de kadasterkaart van 1842 was het complex toen eigendom van de ondernemersNicolaas Antoon Bosch (1797-1857) enWijnand Nicolaas Clermont (1802-1879). Dezen waren er in 1835 eenzoutziederij annexzeepfabriek begonnen. Op de kadasterkaart zijn op het erf achter het pand werkplaatsen te zien met de bestemming "zoutziederij". Het perceel was met een oppervlakte van 930 m² aanzienlijk groter dan tegenwoordig, dus waarschijnlijk konden de twee bedrijven er naast elkaar bestaan.[17] In 1851 richtte Clermont, samen met een andere compagnon, de aardewerkfabriek Clermont & Chainaye op. De fabriek, waaruit in 1863 deSociété Céramique zou ontstaan, werd gevestigd naast het terrein van de zeep- en zoutziederij en grenzend aan de Maas. Twee jaar later richtte ook Bosch een eigen aardewerkfabriek op, waardoor ze elkaars concurrenten werden. Het is niet bekend hoe lang de zout- en zeepziederij in de Poort van Beusdael heeft bestaan, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat het bedrijf na 1853 gezamenlijk werd voortgezet.
In 1888 zou de koopman in granen Hubert van der Zijl eigenaar van de Poort van Beusdael zijn geweest. Rond 1900 was het gebouw verworden tot eenhuurkazerne, zoals veel panden in het zuidelijk deel van Wyck.[18] Omstreeks 1914 was er een café op een gedeelte van de begane grond gevestigd. In 1938 werd hetonbewoonbaar verklaard. In 1947 vond een ingrijpende restauratie plaats, waarna het pand in gebruik werd genomen door de Dienst Stadsontwikkeling van de Gemeente Maastricht. Vanaf 1968 was deRaad voor de Kinderbescherming er gevestigd en vanaf 1981 het Europees Centrum voor Werk en Samenleving (ECWS).[19]
De Poort van Beusdael heeft een L-vormige plattegrond en bestaat uit een hoger deel van vier verdiepingen op de hoekHoogbrugstraat-Ruiterij, en een lager deel van twee verdiepingen aansluitend aan de Ruiterij. Dezadeldaken worden aan drie kanten afgesloten doortrapgevels. De vijftraveeën brede voorgevel aan de Hoogbrugstraat is geheel opgetrokken inNaamse steen. De verdiepingen worden naar boven toe minder hoog en worden gescheiden doorwaterlijsten. De gevel bezit nog de originelekruis- entweelichtvensters, eveneens van Naamse steen. Links op de begane grond bevindt zich een rondbogige koetspoort (bij de restauratie in 1947 vervangen door een glaspui). De poort was oorspronkelijk de hoofdingang; de naastgelegen deur met ovaalbovenlicht is later aangebracht. Boven de waterlijst tussen de begane grond en de eerste verdieping is eengevelsteen geplaatst met het jaartal 1690 en de familiewapens van Michiel Peerboom en zijn echtgenote Cornelia Vliexs. De voorgevel eindigt in een geprofileerde lijst met daarboven ééndakkapel, die door zijn forse formaat enigszins uit de toon valt.[1][9]
De twee geveldelen aan de Ruiterij zijn opgetrokken inLimburgse mergel met eenplint en vensteromlijstingen van Naamse steen. Het hoge en relatief smalle linkerdeel is de zijgevel van het hoofdgebouw. Het bredere en lagere rechterdeel sluit daarop aan. Het eerste telt zes enkelvoudige venster, eentweelichtvenster in de top van de trapgevel, en, enigszins onverwacht bij een zeventiende-eeuwse gevel, een balkon. Dat laatste is aangebracht tijdens de restauratie van 1947, maar het rust op twee grote, reeds aanwezigekraagstenen. Het lage bouwdeel aan de Ruiterij dateert waarschijnlijk uit de zestiende eeuw. Het telt op de verdieping zes laatgotischekloostervensters metaccoladeboogjes. De naar het zuiden gerichte trapgevel is in 1998 uit het zicht verdwenen door nieuwbouw aan de Hoge Barakken. De in 1947 sterk gerestaureerde achtergevel van het gebouw bevat nog restanten vanvakwerkbouw, die metbaksteen is opgevuld.[1][9]
In het interieur bevinden zich nog enkele gestucte plafonds en schoorsteenmantels, en een balustertrap uit de late zeventiende eeuw.[1] Het huis bezit een kelder die overkluisd wordt doortongewelven van mergelsteen.[20]