Nieuwnederlands is de aanduiding voor hetNederlands zoals dat gesproken en geschreven wordt sinds circa1500, dit ter onderscheiding van de eerdere fasen van de taal, hetMiddelnederlands enOudnederlands. Voor het Nederlands van de16e eeuw en de17e eeuw heeft men wel de termVroegnieuwnederlands gereserveerd.
De woordenschat van het Nieuwnederlands tot1920 is het beste gedocumenteerd in het plankenvullendeWoordenboek der Nederlandsche Taal, kortweg WNT, een project dat is begonnen in de19e eeuw en pas aan het begin van de 21e eeuw afgerond. Dit woordenboek is het grootste woordenboek ter wereld[1]. Het bevat behalve delemma's (woordingangen) ook de bronnen van (het eerste gebruik van) de woorden.
Het Nieuwnederlands onderscheidt zich door een geleidelijke standaardisering, grammaticale vereenvoudiging en verschillende klankontwikkelingen van het Middelnederlands.
In de 16e eeuw verschuift de economische en politieke macht voorgoed van de eerste en tweede stand naar de derde stand, de burgerij. Die verschuiving en enkele andere socio-politieke, culturele en religieuze factoren bevorderen de positie van de volkstaal.
De in de zestiende eeuw begonnen bekommernis om de eigen taal wordt in de zeventiende eeuw verder doorgetrokken en die bekommernis uit zich op alle terreinen. Taalbewuste literatoren alsHooft enVondel spraken zich vrijelijk uit over de toestand van het Nederlands. Hoewel deflexie in de spreektaal al op het einde van de middeleeuwen waar te nemen was, leek Hooft bijvoorbeeld nog steeds het Latijnse model aan te prijzen. Tegelijk beijverde hij zich om de taal te zuiveren van woorden die hij te vreemd vond klinken. Voor de woorden 'ingenieur', 'controleur', 'parlement', 'conciërge' stelde hij als Nederlands alternatief 'vernufteling', 'tegenrolhouder', 'pleithof' en 'stadhuisavenaar' voor. Andere gebeurtenissen hebben de standaardisering van het Nederlands bevorderd of juist tegengehouden.
In 1648 werd deVrede van Münster gesloten. Dit betekende het einde van deTachtigjarige Oorlog tussen de Nederlanden en Spanje maar ook de scheiding tussen het Noordelijke en het Zuidelijke Nederland. Het Nederlands zal zich dus ontwikkelen in het Noorden. Toch werd er bekend dat de Nederlandse taal uit Brabant kwam (zie migraties van de 16e eeuw).
In 1637 wordt deStatenvertaling (ook Statenbijbel genoemd) geschreven en verspreid. Deze Statenvertaling is van groot belang voor de standaardisering van het Nederlands. Men wilde namelijk na desynode van Dordrecht een nieuwe vertaling maken van de Bijbel die heel nauw met de grondtekst verbonden moest zijn. Men deed beroep op verschillende vertalers van alle gewesten om een bovengewestelijke vertaling te maken die iedereen moest begrijpen. Dit had tot gevolg dat er een nieuwe standaardtaal (mengvorm van alle dialecten) ontstond.
Voor de schrijftaal worden regels opgesteld zodat de standaardisering bevorderd wordt. Daarentegen blijven de dialecten van elkaar groeien zodat er geen standaardisering plaatsvindt.
In het Noorden neemt de standaardisering toe. In het Zuiden daarentegen wordt die vertraagd door het belang van het Frans aan de ene kant maar ook door het feit dat de Protestanten aangekoppeld waren aan de Nederlandse taal en gelovigen wilden aanwerven ten nadele van de Katholieken. Die laatsten verzetten zich tegen de Protestanten om hun identiteit te bewaren door het Nederlands af te wijzen.
In de loop van de19e eeuw wordt inNederland door de sterk toenemende deelname aan het onderwijs en de stijgende (sociale) mobiliteit de standaardtaal steeds meer door het hele volk als spreektaal gebruikt – en niet langer door alleen een kleine elite. Dat heeft verschillende gevolgen:
InVlaanderen liep de ontwikkeling van de positie van het Nederlands niet parallel. Daar gebruikten de adel, het zakenleven en de burgerij eeuwenlang, tot ver na de Tweede Wereldoorlog, het Frans als leidende standaard- en bestuurstaal en dat heeft zowel de Nederlandse schrijf- als de spreektaal in Vlaanderen beïnvloed. In 1785 schreef de Zuid-Nederlandse jurist en politicusJan Baptist Verlooy een brief aankeizer Jozef II inWenen om de achterstelling van het Nederlands aan de kaak te stellen. Twee jaar later verscheen over dit onderwerp zijn meest invloedrijke werkVerhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden.
De dialecten in het overwegend agrarisch Vlaanderen waren op soms korte afstand onderling vaak sterk verschillend, een bewijs van het isolement waarin dorpen en steden zich bevonden. Pas door de Vlaamse ontvoogding, toepassing van de taalwetten, middelbaar en hoger onderwijs in het Nederlands, voortschrijdende industrialisering en de opkomst van radio en televisie kwam daar geleidelijk aan verandering in. Een groot deel van de Vlaamse bevolking kan nu het Standaardnederlands vlot als schrijf- en spreektaal gebruiken. Het Nederlands in België is licht verschillend van de standaardtaal die in Nederland gebruikt wordt. Deze vorm van de standaardtaal werd tot voor kort vaak "SchoonVlaams" genoemd, en werd voornamelijk beïnvloed door hetBrabants, in het bijzonder hetstadsdialect van Antwerpen –net zoals in de 16e eeuw- met nog velegallicismen en een door het Frans beïnvloedde zinsbouw.