Dat het begrip natie omstreden is, heeft veel te maken met de ontwikkelingen rond deideologie van de natie, hetnationalisme.Ernest Gellner definieerde dit alseen politiek principe, dat ervan uitgaat dat politieke en nationale territoriale eenheden samen moeten vallen.[1] De definitie van de natie krijgt daarmee een sterke politieke lading en wordt ingevuld aan de hand van de achterliggende belangen.
Over het algemeen wordt het ontstaan van het nationalisme gesitueerd rond deFranse Revolutie, terwijl het tot volle wasdom kwam in de negentiende eeuw, waarbij deVerlichting voor hetstaatsnationalisme en de Duitseromantiek voor hetcultuurnationalisme en hetetnisch nationalisme twee belangrijke inspiraties waren.
Het wetenschappelijke debat in de negentiende eeuw werd sterk beïnvloed door hetprimordialisme (primordial attachments, oorspronkelijke gehechtheden) dat stelde datnationale identiteit een natuurlijkfenomeen zou zijn. Hierop kwam vooral in de tweede helft van de twintigste eeuw de nodige kritiek. De natie zou een moderne uitvinding zijn, samenhangend met de overgang vantraditioneel gezag naarrationeel-legaal gezag gedurende devroegmoderne tijd.Gezag werd eerdergelegitimeerd door deafkomst en het daarbij horendeprestige van de heerser en was in veel mindere mate geografisch bepaald. In demiddeleeuwen gold land veelal als persoonlijk bezit van de heerser en kon als zodanig dan ook opnieuw verdeeld en samengevoegd worden.
Een proto-nationaal bewustzijn werd vooral gestimuleerd door aanvallen van buitenaf. Rond 1500 waren er in Europa nog zo'n 500 staatjes in competitie met elkaar. De expansiedrang van de diverse Europese vorstenhuizen en de daarmee gepaard gaandemilitaire revolutie bracht een consolidatie op gang waardoor het aantal staten rond 1900 was teruggebracht tot ongeveer 20. Om de economische, industriële en militaire macht te laten groeien moest een steeds groter beroep gedaan worden op de bevolking.Staatsvorming en nationalisme gingen dan ook volgens onder meerEric Hobsbawm vooraf aannatievorming:[2]
- Nationalism comes before nations. Nations do not make states and nationalists but the other way round.[3]
Bij dat proces zou gebruik worden gemaakt vanuitgevonden tradities en eenculturele homogenisering die plaatsvond door de verspreiding van eenstandaardtaal, eenstandaardtijd en omgangsvormen enlevensstijlen die nog wel variëren met desociale rol, maar niet meer streekgebonden zijn.
De Franse filosoofErnest Renan zag aan het einde van de negentiende eeuw inWat is een natie? ras, taal, gemeenschappelijke belangen, religieuze affiniteit, geografie en militaire noodzaak als onvoldoende om een natie te vormen. Daarvoor was meer nodig, waaronder een heldhaftig verleden, grote mannen en glorie. Op dit sociaal kapitaal zou het nationale idee gebaseerd zijn. De natie bestaat dan uit een verleden en een heden: gemeenschappelijke roem in het verleden waarin veel dingen samen zijn gedaan en een gemeenschappelijke wil in het heden, de wil om ook in de toekomst met elkaar verder te gaan. Hij zag daarbij al dat voortschrijdend kritisch historisch onderzoek een gevaar vormde voor de natie:
- Vergetelheid, en ik zou zelfs zeggen de historische vergissing, is een essentiële factor in de schepping van een volk en daarmee is de voortgang van de historische studies vaak een gevaar voor de nationaliteit.[4]
Volgens historicusBenedict Anderson is een natie eenverbeelde politieke gemeenschap.[5]