De leer van het monotheletisme ontstond rond629 inArmenië enSyrië.[1] De theologische discussies die aan deze doctrine voorafgingen werden in de 6de en 7de eeuw binnen de kerken van hetNabije Oosten gevoerd. Het was de bedoeling een compromis te vinden tussen hetmonofysitisme en detweenaturenleer die verbonden was met hetConcilie van Chalcedon (451). Het woord “natuur” werd in het monotheletisme vervangen door “wil” of “energie”.
In het bijzonder leert het monotheletisme dat Jezus Christus twee naturen, maar slechts één wil (monotheletisme) of één energie (mono-energisme) heeft. Deze kon worden afgeleid uit zijn persoon (hypostase), die één is, niet uit zijn twee naturen. Zo kon men spreken over één energie, één wil zonder de enkelvoudige natuur (van de monofysieten) te moeten erkennen. Dit in tegenstelling tot de in die tijd meer geaccepteerdechristologie, dat Jezus Christusdyotheletisch is, met een menselijke en een goddelijke wil, welke overeenkomen met zijntwee naturen. Het monotheletisme kwam voort uit demiafysitische ofmonofysitische positie in de christologische debatten.