Léon Daudet (Parijs,16 november1867 -Saint-Rémy-de-Provence,30 juni1942) was eenFrans schrijver, journalist, polemist en parlementslid.
Léon Daudet was de oudste zoon vanAlphonse Daudet en van Julia Allard. Hij was de broer vanLucien Daudet en van Edmée Daudet, die trouwde met André Germain, van deCrédit Lyonnais.
Jeugdvriend vanMarcel Proust, ontmoette hij via zijn vader heel wat prominente auteurs, zoalsGustave Flaubert,Edmond de Goncourt,Maurice Barrès,Émile Zola,Edouard Drumont,Guy de Maupassant,Ernest Renan,Arthur Meyer,Gambetta, en nog andere.
In zijn jeugd verklaarde Daudet zich republikein, ondanks de steun die hij en zijn familie genoten van keizerinEugénie en van hertogCharles de Morny. De grote mannen in zijn ogen warenVictor Hugo,Gambetta enGeorges Clemenceau.
Na zijn studies aan het lyceum Louis-le-Grand, studeerde hij geneeskunde zonder evenwel zijn opleiding af te maken.
In 1892 publiceerde hij zijn eerste roman,L'Héritier. Hij besliste schrijver te worden. In 1900 werd hij theatercriticus bijLe Soleil,Le Gaulois enLa Libre Parole.
Op 12 februari 1891 trouwde hij (alleen burgerlijk) met Jeanne Hugo, een kleindochter van Victor Hugo. Hij kwam langs haar in contact met linkse republikeinen, onder meer met haar stiefvaderÉdouard Lockroy, volksvertegenwoordiger van 1871 tot 1913 en minister van 1886 tot 1899. Het huwelijk liep op de klippen en een echtscheiding volgde in 1895. Jeanne hertrouwde eerst met de ontdekkingsreizigerJean-Baptiste Charcot en nadien met de Griekse scheepskapitein Michel Négroponte. De scheiding was de voornaamste oorzaak van de politieke ommekeer bij Daudet: hij werd antirepublikeins en een tegenstander van het parlementaire regime.
Enkele dagen nadat Jeanne het echtelijk dak had verlaten, was Daudet aanwezig bij de degradatie van kapiteinAlfred Dreyfus. Hij schreef er een scherp en venijnig artikel over inLe Figaro en bleef zijn hele leven overtuigd van de schuld van Dreyfus. Hij kreeg haatgevoelens tegenover de 'dreyfusards' Émile Zola enAnatole France. In de rechtse bladen waarin hij voortaan publiceerde, spuwde hij zijn gal uit tegen de dreyfusards. Dit mondde bij herhaling op duels uit.
Hij was anti-dreyfusard, klerikaal, nationalist en een van de belangrijkste figuren van deAction française.
Hij zou aan een razend ritme blijven schrijven tot aan zijn dood:
Hij werd de testamentuitvoerder van Edmond de Goncourt en vervulde in 1900 de opdracht deAcadémie Goncourt op te richten, waarvan hij een van de eerste leden werd. Hij werd in 1903 directielid van deFédération nationale antijuive vanDrumont, zonder er echter een actieve rol in te spelen.

In 1904 ontmoette Daudet dehertog van Orléans en bekeerde zich tot het monarchisme, mede onder de invloed van zijn tweede vrouw, zijn nicht Marthe Allard.
Enkele schandalen, zoals deAffaire des fiches (1904) en deAffaire Syveton versterkten hem in zijn antiparlementaire overtuigingen.
Samen metCharles Maurras,Henri Vaugeois enMaurice Pujol, stichtte hij in 1908 het dagbladAction Française, in grote mate gefinancierd door de erfenis die zijn vrouw had gekregen vangravin de Loynes, deegerie vanJules Lemaître en van deLigue de la Patrie Française. Daudet werd hoofdredacteur en vanaf 1917 codirecteur van de krant.
Vanaf 1912 voerde hij campagne tegen wat hij de infiltratie noemde van Duitse agenten in de Franse zakenwereld en de politiek. Hij baseerde zich hiervoor op valse documenten en werd hiervoor in 1913 wegens laster veroordeeld. Hij bleef maar beschuldigingen rondslingeren, die onder meer leidden tot de arrestatie vanMiguel Almereyda, vanLouis Malvy en vanJoseph Caillaux. Al zijn beschuldigingen werden ongegrond bevonden.
Zijn boekL'Avant-Guerre, die in maart 1913 was verschenen op 12.000 exemplaren, zag zijn oplage eerst klimmen tot 20.000, terwijl er tijdens de oorlog nog eens 50.000 van verkocht werden. Door de vasthoudendheid van Daudet kwamen er toch zaken aan het licht die bij Malvy landverraad aantoonden en die maakten dat hij verbannen werd.
Aristide Briand, elfmaal eerste minister en achtmaal minister van buitenlandse zaken werd zijn intieme vijand. In zijn ogen was Briand de verpersoonlijking van alles wat schadelijk was in de democratie. Hij hield niet op hem door het slijk te halen, hem uit te schelden als 'fielt', 'pooier' of 'souteneur'.
Van 1919 tot 1924, was hij volksvertegenwoordiger voor deUnion nationale inParijs, partij die de voornaamste woordvoerder was voor de nationalisten. Hij animeerde de debatten in de Kamer door zijn boutades en beschimpingen. In 1924 werd hij verslagen en verklaarde toen dat hij in het parlement zijn tijd had verloren (Député de Paris, gepubliceerd in 1932).
De zoon Daudet, Philippe, liep in 1923 weg van huis. Hij was toen veertien. Na een vruchteloze poging inLe Havre om op een boot naarCanada te kunnen stappen, keerde hij naar Parijs terug en zocht er contacten in anarchistische middens. Na enkele dagen beroofde hij zich van het leven in een taxi, na zijn moeder hierover per brief te hebben ingelicht.
Eerst verklaarde Léon Daudet dat zijn zoon gestorven was aan de gevolgen van eenmeningitis, maar toen de zelfmoord algemeen bekend werd, beweerde hij dat het om een moord ging. Hij legde klacht neer voor doodslag tegen verschillende hoge ambtenaren van de Staatsveiligheid. Het onderzoek en het proces bevestigden echter de zelfmoord en de beschuldigden werden vrijgesproken. Daudet weigerde de uitspraak te erkennen en publiceerde in l'Action française zijn eigen bevindingen. Vanwege de geuite beschuldigingen werd hij in 1925 veroordeeld voor eerroof, tot vijf maanden hechtenis.
In 1927, na alle rechtsmiddelen te hebben uitgeput, veroorzaakte hij een publiek schandaal door zich te verschansen in de lokalen van de Action française. Hij gaf zich over en werd naar de gevangenis gebracht. Twee maanden later werd hij door een groepjeCamelots du roi bevrijd. Hij vluchtte naarBrussel, waar hij twee jaar verbleef en van waar hij een stortvloed aan uiteenlopende geschriften naar Frankrijk stuurde.
Nadat hem genade werd verleend, keerde Daudet naar Parijs terug. Hij werd opnieuw politiek actief, veroordeelde de corruptie van het regime, voorspelde de oorlog, steunde hetfascisme vanMussolini en sprak zijn vrees uit over de heropstanding van Duitsland.
Naar aanleiding van de revolutionaire manifestatie van 6 februari 1934, verhoopte hij de val van de Republiek en ging te keer tegen de vanwege dezaak-Stavisky ontslagnemende eerste ministerCamille Chautemps, die hij uitschold als 'de bendeleider van dieven en moordenaars'.
Hij was al lange tijd een voorstander van maarschalkPétain, die in juli 1940 de macht greep. Hij bleef echter hevig anti-Duits en was niet meer antisemitisch.
Hij werd begraven in Saint-Rémy.
Zeer vruchtbaar schrijver, vermeldt de catalogus van deBibliothèque nationale de France meer dan 300 publicaties van hem.Daaronder bevinden zich zijn memoires van 1880 tot 1921, zes volumes onder de titelChoses vues, die door Marcel Proust vergeleken werden met deMémoires van dehertog van Saint-Simon. In die memoires komt zijn schrijverstalent het best tot uiting.
Zijn romans zijn daarentegen erg verouderd en zijn polemische stukken tegenwoordig niet meer interessant.
Hij was niet in alles een conformist die in overeenstemming handelde met zijn traditionalistische omgeving. Hij was het die ervoor zorgde dat Marcel Proust, notoir dreyfusard, in 1919 dePrix Goncourt kreeg. Hij probeerde vergeefs de Goncourt toe te kennen aanCéline voorVoyage au bout de la nuit, werk dat door de patriotten weggehoond werd. Hij schreef ook, tot ongenoegen van zijn medestanders, een lovend artikel overAndré Gide, een ander overPablo Picasso en schreef zelfs dat hijgeen groter idealist had gekend dan de jood en dreyfusardMarcel Schwob.