Movatterモバイル変換


[0]ホーム

URL:


Naar inhoud springen
Wikipediade vrije encyclopedie
Zoeken

Kotasaurus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Kotasaurus
Status:Uitgestorven, als fossiel bekend
Fossiel voorkomen: Vroeg-Jura
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Reptilia (Reptielen)
Infraklasse:Archosauromorpha
Superorde:Dinosauria (Dinosauriërs)
Orde:Saurischia
Onderorde:Sauropodomorpha
Infraorde:Sauropoda
Geslacht
Kotasaurus
Yadagiri, 1988
Typesoort
Kotasaurus yamanpalliensisYadagiri 1988
Afbeeldingen opWikimedia CommonsWikimedia Commons
Portaal Portaalicoon Biologie
Herpetologie

Kotasaurus[1][2] is eenmonotypischgeslacht vanuitgestorven basaleherbivoresauropodedinosauriërs dat tijdens het Vroeg-Jura leefde in het gebied van het huidigeIndia.

Vondst en naamgeving

[bewerken |brontekst bewerken]

Midden jaren zeventig werden er vijf kilometer ten westen van het dorp Yamanpally of Jamanpalli, in het districtAdilabad, in de vallei van dePranhita-Godavari, indertijd in de deelstaatAndhra Pradesh, opgravingen verricht waarbij de beenderen van minstens twaalf skeletten werden gevonden op een oppervlakte van 2400 vierkante meter. De vondst werd in 1980 gemeld in dewetenschappelijke literatuur.

In 1986 vermeldde degeoloog P.M. Yadagiri de naamKotasaurus yamanpalliensis in een publicatie maar zonder beschrijving zodat het voorlopig eennomen nudum bleef. In 1988 benoemde hij detypesoortKotasaurus yamanpalliensis. Degeslachtsnaam verwijst naar de Kotaformatie. Desoortaanduiding verwijst naar de herkomst bij Yamanpally.

Hetholotype21/SR/PAL is gevonden in een laag van de ondersteKotaformatie die wellicht dateert uit hetSinemurien. Het bestaat uit eendarmbeen. Daarnaast werden er in 1988 wat losse botten aan de soort toegewezen. Het betreft de specimina 1-12/S1Y/76: twaalf lossehalswervels; 13-25/S1Y/76: een partijruggenwervels; 26/S1Y/76: eenheiligbeen; 29-81/S1Y/76: een partijStaartwervels; 82-89/S1Y/76: chevrons; 100/S1Y/76: eenschouderblad; 101/S1Y/76: eenravenbeksbeen; 102/S1Y/76: eenopperarmbeen; 106/S1Y/76: eenspaakbeen; 107/S1Y/76: eenellepijp; 108/S1Y/76: een darmbeen; 109/S1Y/76: eenzitbeen; 110/S1Y/76: eenschaambeen; 111/S1Y/76: eendijbeen; 113/S1Y/76: eenkuitbeen; 115/S1Y/76: eenscheenbeen; en 116/S1Y/76: eensprongbeen. Deze botten behoorden niet toe aan één enkelskelet maar waren gekozen uit het totaal van het materiaal, dat zo'n 840 botten omvat, ter illustratie van de bouw. Uit losse botten werd ook een skeletopstelling samengesteld, tentoongesteld in hetB.M. Birla Science Centre teHyderabad. De fossielen maken deel uit van de collectie van deGeological Survey of India.

In 2001 beschreef Yadagiri de resten meer in detail. Daarbij werd ook de vondst gemeld van een gedeeltelijk in verband liggend skelet bij Kristapoer dat vanKotasaurus zou kunnen zijn.

In de twintig jaar na de beschrijving ontstond er een steeds grotere twijfel over de geldigheid van de soort. Yadagiri kreeg een slechte reputatie wegens zijn aantoonbaar foute identificatie van de resten vanDravidosaurus enBruhathkayosaurus. In de lagen van de vindplaats komt ook de sauropodeBarapasaurus voor. Het vermoeden rees dat losse botten van die soort gecombineerd waren met resten van andere dieren zodatKotasaurus eenchimaera zou zijn. In 2010 werd in het kader van een herbeschrijving vanBarapasaurus de skeletopstelling vanKotasaurus aan een inspectie onderworpen. Daarbij werden botten aangetroffen die wel althans sauropodomorf leken maar kennelijk niet vanBarapasaurus waren. Dat lijkt erop te wijzen dat er wel degelijk een tweede sauropode in de formatie aanwezig is. Niet kon worden uitgesloten dat andere botten wel vanBarapasaurus zijn.

Beschrijving

[bewerken |brontekst bewerken]

Grootte en onderscheidende kenmerken

[bewerken |brontekst bewerken]

In 2010 schatteGregory S. Paul de lengte vanKotasaurus op negen meter, hetgewicht op tweeënhalve ton. Het langste gevonden en toegewezen dijbeen heeft een lengte van 139 centimeter. Als dat inderdaad vanKotasaurus is en niet vanBarapasaurus, wijst dat eerder op een lengte van twaalf meter.

Yadagiri gaf in 2001 een diagnose met kenmerken waarinKotasaurus zich van alle andere sauropoden zou onderscheiden. Dedoornuitsteeksels van de ruggenwervels zijn eenvoudig gebouwd, zonder richels. Een pneumatocoel op de basis van de wervelboog, dus een pneumatische opening die toegang biedt tot hetruggenmergkanaal, ontbreekt. Het blad van het darmbeen is laag. De basis van het schouderblad is smal. De ledematen zijn relatief slank. Het dijbeen bezit nog detrochanter minor. De chevrons zijn V-vormig met goed ontwikkelde contactfacetten met de wervels op de achterste buitenhoeken. Deze eigenschappen zijn geen uniekeautapomorfieën maarsymplesiomorfieën, kenmerken die gedeeld worden met meer basaleSauropodomorpha. Yadagiri wilde dus vooral aantonen datKotasaurus een unieke overgangsvorm was tussen de traditionele sauropoden en meer 'primitieve' vormen.

Materiaal van deschedel is niet gevonden; dat is bij sauropoden altijd schaars. Wel zijn op de vindplaats twee lepelvormige sauropode tanden aangetroffen. De tanden zijn relatief kort, vijftien millimeter hoog en een centimeter breed aan de basis. De snijranden tonen geen kartelingen. De punt is spits en gebogen.

De precieze indeling van dewervelkolom is onbekend. Dewervels zijn niet uitgehold. Deatlas, de eerste halswervel, is afgerond en heeft een sterk ontwikkeldewervelboog. Dedraaier heeft een kort en breed doornuitsteeksel met een bolle voorrand en een holle achterrand. De halswervels zijn verder sterk opisthocoel, bol van voren en hol van achteren. Ze hebben geen pleurocoelen. De bases van de gewrichtsuitsteeksels zijn verbonden door dwarsrichels. De doornuitsteeksels zijn ongevorkt, matig hoog en gezwollen aan het bovenste uiteinde. Het ruggenmergkanaal heeft een ronde dwarsdoorsnede.

Ook de voorste ruggenwervels zijn opisthocoel, de meer achterste platycoel, met een platte voorkant. Hoewel er geen echte pleurocoelen zijn, bezitten de zijkanten wel diepe uithollingen. Wervelboog en doornuitsteeksel samen zijn opvallend hoog, twee derden van de totale hoogte van de wervel uitmakend. Evenzeer zijn de zijuitsteeksels lang. Terwijl de doornuitsteeksels glad zijn, bezitten de zijuitsteeksels de gebruikelijke hoofdrichels: twee aan de onderzijde en een naar het voorste gewrichtsuitsteeksel lopend. Tussen deze richels bevinden zich diepe uithollingen. De zijuitsteeksels steken schuin omhoog. Er is een goed ontwikkeld hyposfeen-hypantrum-complex van secundaire gewrichtsuitsteeksels. Bij desacrale wervels vormen de ribben een sacraal juk.

De staartwervels zijn amficoel, aan beide zijden hol en ingesnoerd. Bij de achterste wervels neemt de insnoering toe en deze zijn niet speciaal verlengd. De staartwervels zijn korter dan hoog. De voorste staartwervels hebben een hyposfeen-hypantrum-complex. De gewrichtsuitsteeksels zijn staafvormig met spatelvormige facetten. De voorste doornuitsteeksels zijn smal en staan recht. De achterste doornuitsteeksels hellen sterk naar achteren. Bij de chevrons zijn de haemaalbogen groot en bovenaan overbrugd. Hoewel de chevrons V-vormig worden genoemd, zijn ze eigenlijk Y-vormig met een naar beneden gerichte en naar achteren gebogen punt.

Het schouderblad is lang en slank. Het ravenbeksbeen is rechthoekig.

De voorpoot moet tamelijk lang geweest zijn. Het langste gevonden opperarmbeen heeft een lengte van vijfentachtig centimeter. Deonderarmbeenderen zijn ongeveer even lang. Met de hand erbij moet de armlengte tegen de twee meter bedragen hebben. Dit gegeven maakt de bouw vanKotasaurus uniek: het is de enige bekende sauropode die een basalemorfologie van bekken en doornuitsteeksels paart aan zo lange armen dat de romp hoog boven de grond horizontaal gehouden wordt. Het opperarmbeen heeft een wat basale bouw in de zin dat het nogal robuust is met grote verbredingen aan bovenzijde en onderzijde. De bovenkant heeft een breedte gelijk aan ongeveer veertig procent van de totale lengte. Het opperarmbeen bezit een forse deltopectorale kam die de bovenste helft beslaat. Deellepijp is robuust. Deprocessus acromialis bovenaan heeft echter slechts de vorm van een richel. Dat duidt erop dat de arm bij het dragen van het gewicht vrijwel verticaal gehouden werd. Hetspaakbeen is lang en dun met een ovaal bovenvlak en een overdwars afgeplatte onderkant. Dit stond vermoedelijkpronatie van de arm toe. De vorm van de hand is onbekend.

Hetdarmbeen heeft in bepaalde opzichten een zeer basale vorm en wijkt sterk af van de darmbeenderen van meer afgeleide Sauropoda die typisch kort zijn, hoog en afgerond. Het wijkt echter ook af van het prosauropode type door een lang voorblad zodat het haast dat van eentheropode lijkt. Specimen 108/S1Y/76 is echter in directe associatie met andere beenderen gevonden en er kan weinig twijfel bestaan dat het vanKotasaurus is. Het darmbeen vanKotasaurus is langwerpig en laag met een rechte bovenrand. Het achterblad is puntig en waaiert uit. De onderrand ervan ligt op een lager niveau dan de basis van het zeer korte aanhangsel voor het zitbeen dat een driehoekig ondervlak heeft en een richel aan de voorzijde, hetheupgewricht in. Het voorblad is laag en lang, vermoedelijk ook puntig en steekt wat schuin omhoog. Het aanhangsel voor het schaambeen is duidelijk langer dan dat voor het zitbeen. Het heeft een driehoekig ondervlak en een gladde achterkant als bijdrage aan het heupgewricht. Het heupgewricht heeft slechts een beperkte omvang. Het schaambeen is robuust en bovenaan ovaal verbreed met een grootforamen obturatum. De schacht is dik en eindigt in een geleidelijke verbreding die recht afgesneden is. De schaambeenderen zijn niet met elkaar verbonden door een beenschort. Hetzitbeen is recht en dun, eindigend in een kleine verbreding. De zitbeenderen zijn alleen via de punten met elkaar verbonden. Wellicht is het langer dan het schaambeen.

Het dijbeen is lang en recht. De vierdetrochanter is een scherpe richel op het midden van de achterste schacht, met een iets afhangende punt. Beide kenmerken wijzen erop dat het vermogen tot rennen verloren was. Wel is er nog eentrochanter minor in de vorm van een richel aan de voorste buitenzijde, zestien centimeter onder de kop eindigend. De kop is robuust en heft geen duidelijke nek. De schacht is afgeplat, tweemaal breder overdwars dan van voor naar achter. De onderste gewrichtsknobbel zijn goed ontwikkeld; de binnenste is de grootste. Het scheenbeen heeft ongeveer vierenzestig procent van de lengte van het dijbeen. Het is een groot element met een dikkecrista cnemialis aan de bovenste voorzijde. De onderkant heeft een inkeping voor het contact met het sprongbeen. Het kuitbeen is slank, bovenaan en onderaan even sterk verbreed.

Hetsprongbeen vormt een scharniergewricht aan de onderzijde van het scheenbeen. Het is zadelvormig met van achteren bezien een uitgroeisel op de bovenste buitenhoek dat volgens Yadagiri homoloog was aan de uitstulping van de opgaande tak bij basale sauropodomorfen. Een ander basaal kenmerk is de aanwezigheid aan de onderste voorzijde van een beenpin voor de verbinding met hethielbeen, aan de buitenzijde van het sprongbeen gelegen.

In de voet is het eerstemiddenvoetsbeen sterk naar binnen gewrongen, dus richtinglichaam. Dat kan duiden op een systeem waarin de voetklauwen juist naar buiten gebogen zijn om meer greep op de bodem te krijgen bij een zijdelingseabductie van de voet tijdens de afzet. Overeenkomstig deze hypothese is een gevonden eerste voetklauw groot en asymmetrisch.

Fylogenie

[bewerken |brontekst bewerken]

Yadagiri plaatsteKotasaurus in deSauropoda. Als zeer basale vorm was hij niet in een familie onder te brengen en dus werd een positieincertae sedis aangegeven. Later werdKotasaurus vaak niet in exactecladistische analyses opgenomen, bang dat een chimaera de uitkomst daarvan zeer onbetrouwbaar zou maken door het vermengen van allerlei kenmerken. Toen na 2010 het vertrouwen in de geldigheid weer toenam, bleek de positie inderdaad basaal in de Sauropoda te zijn.

Een mogelijke positie in de evolutionairestamboom toont het volgende kladogram.

Levenswijze

[bewerken |brontekst bewerken]

Kotasaurus leefde in een landschap met rivieren en meren. Hij deed zich tegoed deed aan planten, die verkleind en ingeslikt werden. Niet duidelijk is wat denicheverdeling was metBarapasaurus. In de maag van het dier bevonden zich wellicht stenen,gastrolieten, die het plantenmateriaal tot brij vermaalden voor een betere vertering. Om de energiehuishouding op peil te houden, moest het dier enorme hoeveelheden planten verorberen.

Bronnen, noten en/of referenties

Literatuur

  • P. Yadagiri and P.P. Satsangi, 1980, "Sauropod dinosaur from Kota Formation of Pranhita Godavari valley, India",Proceedings of IV International Gondwana Symposium, Calcutta 1: 199-203
  • P. Yadagiri. 1988. "A new sauropodKotasaurus yamanpalliensis from Lower Jurassic Kota Formation of India".Records of the Geological Survey of India11: 102-127
  • P. Yadagiri. 2001. "The osteology ofKotasaurus yamanpalliensis, a sauropod dinosaur from the Early Jurassic Kota Formation of India".Journal of Vertebrate Paleontology21(2): 242-252
  • Helmut Werner -1000 Dinosaurier (Giganten der Urzeit: Dinosaurier, Flugsaurier, Meeresreptilien und andere Urzeitechsen), Naumann & Göbel Verlagsgesellschaft mBh, Köln.ISBN 978-3-625-11519-9
  • Kotasaurus in de Paleobiology Database

Noten

  1. Kotasaurus.www.prehistoric-wildlife.com.Gearchiveerd op2 september 2023.Geraadpleegd op 07-12-2022.
  2. Fossilworks: Kotasaurus.www.fossilworks.org.Geraadpleegd op 07-12-2022.
Overgenomen van "https://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Kotasaurus&oldid=67118031"
Categorie:

[8]ページ先頭

©2009-2026 Movatter.jp