Eenkosmogonie (Grieks:kosmo-, wereld engon-, verwekken) is een verklarend model voor de vorming en ontwikkeling van hetuniversum. Hetscheppingsverhaal uitGenesis is een kosmogonie en er zijn er vele andere, zowelwetenschappelijke alsmythologische. In deastrofysica is het een tak die zich bezighoudt met de studie van het ontstaan en de structuur van hetheelal in zijn geheel, in tegenstelling tot deastronomie die zich bezighoudt met het bestuderen van bepaalde hemellichamen.
De kosmogonie bestudeert het ontstaan van het universum zelf, zowel opmicroscopische (kwantum-kosmologisch) als opmacroscopische (relativistische) schaal, in het begin der tijden (meestal aangeduid door t=0). Dit in tegenstelling met dekosmologie die het universum gedurende heel zijn bestaan beschouwt. Sommige kosmogonische theorieën botsen op de drie klassieke paradoxen:
behoudswetten (de onmogelijkheid iets uit niets te creëren)
de kwesties van tijdsverloop (zie ookZeno's paradoxen) en logisch verloop
Er zijn ook tijdcyclische kosmogonieën waar geen plaats is voor deze paradoxen. Een nieuwe kosmos ontstaat uit de zaden van de daarvoor bestaande kosmos die ten onder is gegaan, analoog aan leven en sterven, de seizoenen en sterren die worden geboren en sterven. Dit wordt in hethindoeïsme voorgesteld door de werking van Shiva die al het bestaande vernietigt en tot nieuw leven brengt: de dansende Shiva in het rad van wedergeboorte. Ook worden de elkaar opvolgende kosmogonieën voorgesteld als uitademingen vanBrahma.
Ook onze oudste voorvaderen geven vaak blijk van een goedekennis van de opbouw van het universum en de verschillende fasen daarin. Het is niet altijd duidelijk waar zij al deze kennis vandaan hadden. Ook blijkt deze nog al eens in de lange tijdspannen te fluctueren en vermengd te zijn geraakt met minder relevante beschouwingen, die de nadruk eerder op de beeldspraak dan op de inhoud en betekenis leggen. Maar de meeste kosmogonieën bevatten een oude kern van kennis die ook in onze moderne beschouwingen aanwezig is.
Deze illustratie toont een 19e-eeuwse poging om de kosmogonie te visualiseren die in de ProsaEdda is beschreven
Veel verwarring is ontstaan doordat begrippen mettertijd andere inhouden kregen. Zo werd bijvoorbeeld het begrip wereld nogal eens verkleind tot en geïdentificeerd met aarde en vice versa, waardoor heel wat begrippen uit hun oorspronkelijk verband raakten. In vele Indo-Europese mythologieën is sprake van een origineelniets (vacuüm) dat vervolgens als een oeroceaan of oerzee wordt voorgesteld, waarin zich golven of trillingen voordoen die via opeenvolgende stadia leiden tot opeenvolgende werelden. Deze werelden of kosmische stadia overlappen vaak elkaar en bestaan deels simultaan.
De krachten die in dat geheel aan het werk zijn worden daarna benoemd, evenals hun verhoudingen en interacties. Maar na lange tijd raken de betekenissen van die namen vergeten en blijven ten slotte enkel nog symbolische gepersonaliseerde godheden over die ermee worden geassocieerd en die verder evolueren met de geschiedenis. Opvallend in dat verband is dat in de Europese oudheid, evenals de oudeIndiase filosofie, aanvankelijk het onzijdige geslacht werd gebruikt voor de aanduiding van grote godheden. Pas na de kerstening gebruiken de Noordse volkeren een woord voor god dat mannelijk is en dan nog alleen voor de christelijke God. Voor het eigen pantheon blijft een woord voor god dienen dat onzijdig is.
Evenzo ging het in India over het onzijdigebrahman als oeressentie of oersubstantie waarmee en waarin en waardoor alles in een nooit begonnen en nooit eindigende altijd bestaande cyclus vorm aanneemt en daarna weer vorm verliest: perioden van Kalpa, Yuga, Mavantara, Pralaya.
Door meerdere mythologieën zoals deNoordse en deGriekse enTibetaanse worden entiteiten benoemd als voorafgaand aan de hedendaagse wereld, met het woordtitanen ofreuzen,mythische slangen ofdraken, om de nadruk te leggen op de gigantische omvang van de krachten en vormingsprocessen die aan het begin van hetheelal (de wereld) plaatsvinden. Anderzijds is er ook sprake van een wereld vandwergen die in staat zijn de dingen vorm te geven door ze aan elkaar te smeden in demicrokosmos, daar waar bijvoorbeeld een godThor reusachtige misbaksels in demacrokosmos met zijn mythische hamer weer uiteenslaat.
De originele begrippen zijn in onze tijd tot folklore en kindersprookjes verwaterd. Toch spreekt nog steeds de dieper betekenis tot de mens vanwege de archetypische boodschap die eraan ten grondslag ligt. In deze huidige tijd is de film een veel beter medium om de originele oude kosmogonische boodschap door te geven. Zo worden de verhalen uit de eeuwenoudeMahabharata inBollywood nog steeds veel verfilmd. Maar ook totaal nieuwe, vooralsciencefictionfilms zijn duidelijk kosmogenetisch. Dat is vast te stellen wanneer personages met goddelijke eigenschappen nieuwe levensvormen doen ontstaan. Vanwege het archaïsch taalgebruik kunnen de oude mythen méér invocatief zijn. Maar de mythische verhalen verhullen zelfs in de vorm waarin ze tot ons komen heel wat kennis en wijsheid. Zie voor de achtergrond daarvan bijMythe.
De moderne wetenschappen zijn er nog niet in geslaagd ze op te lossen. Zo kan het inzicht van de quasi-klassiekealgemene relativiteitstheorie en de modernekwantummechanica, snaar- en M-theorie toepassen in gedachte-experimenten op deze drie kosmogonische paradoxen. De resulterende inconsistenties kunnen best in staat zijn het menselijke verstand te verwarren als wordt geprobeerd om de beginsituatie van het heelal te begrijpen. Niettemin kunnen de drie paradoxen rationeel worden geanalyseerd op basis van subatomische toepassing van de kwantumkosmologie – in het bijzonder door het gebruik van deSchrödinger-golfvergelijking.
Dealgemene relativiteitstheorie zegt dat de tijd moet beginnen in eensingulariteit. Ze kan echter niets zeggen over wat er in die singulariteit gebeurt. Hiervoor moeten andere theorieën te hulp worden geroepen.
De statistische natuur van dekwantumkosmologie echter laat een wetenschappelijke en rationele benadering toe voor elke paradox. Dit kan nog een stap verdergaan door dekwantummechanische vaagheid te gebruiken om de situatie te beschrijven (door de toepassing van Wheeler-DeWitt van subatomische positie- en impulsvergelijkingen in functie van de straal van het universum en de expansie). Hiermee worden onberekenbare zaken zoals randvoorwaarden vermeden (zoals werden omzeild bij deHawking-Hartle-golfvergelijk). Hier ziet men ook de compatibiliteit metsupersnaar-,M- enbraantheorieën.