Jacques Derrida groeide op in El Biar,Algerije. Hij kwam uit een niet-intellectueeljoods gezin. Als gevolg van het Frans-Algerijnsantisemitische beleid onder hetVichy-regime werd hij net als de meeste andere joden in die tijd gediscrimineerd en van school gestuurd. In 1949 verhuisde hij naarFrankrijk, waar hij de rest van zijn leven bleef wonen.
Vanaf 1952 studeerde Derrida aan deÉcole Normale Supérieure teParijs bij onder andereMichel Foucault enLouis Althusser. Tijdens deAlgerijnse Onafhankelijkheidsoorlog vroeg Derrida om, bij wijze van vervangende dienstplicht, van 1957 tot 1959 kinderen van soldaten Frans en Engels te onderrichten. Na die oorlog verbond hij zich met deTel Quel-groep, bestaande uit literaire en filosofische theoretici. Tegelijkertijd, van 1960 tot 1964, doceerde hij filosofie aan deSorbonne, vervolgens nog eens twintig jaar aan de École Normale Supérieure, waar hij zelf had gestudeerd. Hij voltooide zijnThèse d'État (een soort proefschrift) in1980, dat later vertaald werd in het Engels onder de titel "The Time of a Thesis: Punctuations". Tot aan zijn dood was hij directeur aan deÉcole des hautes études en sciences sociales in Parijs. In 1983 stichtte hij samen metFrançois Châtelet en anderen het Internationaal College van Filosofie (Frans: CIPH[1]), een onderzoeksinstituut dat ruimte gaf voor filosofisch onderzoek en lezingen waarvoor nergens anders in de academische wereld gelegenheid was. Hij werd verkozen tot eerste voorzitter.
Vanaf zijn eerste lezing in1966 aan deJohns Hopkins University, waarin hij zijn essay "Structure, Sign, and Play in the Discourse of the Human Sciences" presenteerde, trok Derrida's werk internationaal aandacht. Voor de rest van zijn leven reisde hij veel en kreeg hij een aantal posities als docent, zowel als gast als permanent, vooral aan Amerikaanse universiteiten. Sinds 1986 was hij hoogleraarGeesteswetenschappen aan deUniversiteit van Californië inIrvine, die nu een groot archief van zijn manuscripten bezit.
Derrida was lid van deAmerican Academy of Arts and Sciences en ontving deAdorno-Preis in 2001 van deUniversiteit van Frankfurt. Hij kreeg eredoctoraten vanCambridge University (na enige controverse),Columbia University,University of Essex, deKatholieke Universiteit Leuven enWilliams College.
In 2003 werd bij Derrida agressievealvleesklierkanker geconstateerd, waardoor hij zijn activiteiten sterk moest verminderen. Hij overleed in een Parijs' ziekenhuis in de nacht van vrijdag op zaterdag9 oktober2004.
Twee jaar voor zijn dood, in 2002, werd er een Amerikaanse documentaire gemaakt over Derrida,Derrida: The Movie, doorKirby Dick enAmy Ziering Kofman op muziek vanRyuichi Sakamoto. Deze had de vorm van een intense dialoog waarin wordt gezocht naar een relatie tussen zijn theorie en zijn persoonlijke leven.[2]
Derrida's vroegste werk was een kritiek van de begrenzingen van defenomenologie: zijn eerste these handelde overEdmund Husserl, ingediend in 1954 en veel later gepubliceerd alsLe problème de la genèse dans la philosophie de Husserl. In 1962 vertaalde hij Husserls essayOrigin of Geometry en voorzag hij deze van een eigen inleiding.
Derrida kreeg voor het eerst internationale aandacht met zijn lezing "Structure, Sign, and Play in the Discourse of the Human Sciences" die hij gaf aan deJohns Hopkins University in 1966 (de tekst werd vervolgens opgenomen inL'écriture et la différence (1967)). De conferentie ging over hetstructuralisme, dat op dat moment inFrankrijk zijn hoogtepunt had bereikt, maar nog maar pas aandacht begon te krijgen in deVerenigde Staten. Derrida onderscheidde zich van andere deelnemers door gebrek aan expliciete steun voor de structuralistische beweging, die hij vooraf al had bekritiseerd. Hij toonde waardering voor de prestaties ervan, maar had tegelijk bedenkingen bij de interne beperkingen, waardoor men Derrida's denken als een vorm van poststructuralisme zou gaan beschouwen.
De invloed van Derrida's bijdrage aan de conferentie was zo aanzienlijk, dat toen de resultaten van de conferentie in 1970 werden gepubliceerd, de bundel de titelThe Structuralist Controversy had gekregen. Op dit congres ontmoette hij de Belgische literaire criticusPaul de Man, met wie hij een lange vriendschap zou delen en die ook een grote bron van controverse zou blijken. Ook ontmoette hij daar de psychoanalyticusJacques Lacan, over wiens werk hij gemengde gevoelens had.
Derrida publiceerde in 1967 drie verzamelbundels:De la grammatologie,L'écriture et la différance enLa voix et le phénomène. Deze drie boeken bevatten Derrida's interpretaties van vele filosofen, waaronder zowel de filosofenJean-Jacques Rousseau,Edmund Husserl,Emmanuel Levinas,Martin Heidegger,G.W.F. Hegel,Michel Foucault,Georges Bataille enRené Descartes, als antropoloogClaude Lévi-Strauss, paleontoloogAndré Leroi-Gourhan, psychoanalistSigmund Freud, linguïstFerdinand de Saussure en schrijvers alsEdmond Jabès andAntonin Artaud. In deze drie bundels kwamen de "principes" van deconstructie tevoorschijn, niet door theoretische uitleg maar eerder door demonstratie. Derrida's werk van de volgende vijf jaren werd samengevat in twee verzamelbundels in 1972:La dissémination enMarges de la philosophie. Tegelijkertijd werd een bundel interviews gepubliceerd (later, in 1981, samengebundeld alsPositions).
Volgens Derrida lag de relatie tussen het teken en de referent niet vast, maar wordt die bepaald door context, de politieke overtuiging en vooroordelen van zender én ontvanger. (Zie ook:Ferdinand de Saussure).