De eilanden bevinden zich onder Spaansesoevereiniteit sinds 6 januari 1848, toen twee Spaanse oorlogsschepen ze bezetten, enkele uren voor de aankomst van hun Franse concurrenten.
De archipel bestaat uit het westelijkeIsla del Congreso (22,5hectare, maximaal 137 meter bovenzeeniveau), het centraleIsla de Isabel II (15,9 hectare, maximaal 35 meter boven zeeniveau) en het oostelijkeIsla del Rey (12,7 hectare, maximaal 31 meter boven zeeniveau).
Enkel het centrale eiland Isla de Isabel II wordt permanent door een militair garnizoen van 190 soldaten en door wetenschappers bewoond. In het begin van de twintigste eeuw leefden tot 736 mensen (in 1910) op dit eilandje. Op dit eiland bevindt zich ook een kerk, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van de onbevlekte ontvangenis, gebouwd tussen 1851 en 1853.
Deze eilanden groep stond voor de toegenomenArabisatie van Noord-Afrika bekend als het eiland waar deRiffijnse stam "Kebdan/Cebdan" over heerste. In deRif werd de eilandengroep daarom "Taẓrut n Cebdan" genoemd ofwel "Steen van Kebdan"[2]. De naam "Djuzur 'iishfarin" ontspringt ook vanuit hetRiffijns-Berberse woord "Chefar", wat "dief" betekent, aangezien de eilanden het toevluchtsoord vormden voor criminelen van het vasteland. In de antieke oudheid werden de eilanden aangeduid alsTres Insulæ (drie eilanden).
↑Mouliéras, A. (1855-1931). A. du texte, 1895. Le Maroc inconnu : étude géographique et sociologique. Exploration du Rif (Maroc septentrional) / par Auguste Mouliéras,...