Op het gebied vanoptica schreef Newton het standaardwerkOpticks, vond hij deNewtontelescoop uit en ontwikkelde hij een theorie over kleuren, gebaseerd op hetprisma, dat van wit licht een zichtbaar spectrum maakt. Hij bestudeerde ook degeluidssnelheid.
Newton werd geboren als enig kind van Isaac Newton en Hannah Ayscough inWoolsthorpe-by-Colsterworth, een gehucht vanColsterworth in het graafschapLincolnshire op 15 kilometer ten zuidwesten vanGrantham. Volgens degregoriaanse kalender, die in Engeland pas in 1752 dejuliaanse kalender verving, werd Newton geboren op 4 januari 1643. Volgens de juliaanse kalender, die gedurende Newtons leven van kracht was in Engeland, leefde hij van 25 december 1642 tot 20 maart 1727.[15]
Newtons ouders waren niet onbemiddeldeboeren. Zijn vader overleed drie maanden voor zijn geboorte. Hij werd te vroeg geboren en aanvankelijk werd voor zijn leven gevreesd. Toen hij drie jaar oud was, hertrouwde zijn moeder in 1646 met deAnglicaansegeestelijkeBarnabas Smith, een welgestelde kinderloze weduwnaar, bij wie zij dadelijk introk in het naburigeNorth Witham. Smith had slechts interesse in een huwelijk en had geen behoefte aan de verantwoordelijkheid voor een stiefzoon. Hierdoor bleef Newton noodgedwongen inWoolsthorpe bij zijn grootmoeder wonen. Omdat hij aan de zorgen van zijn grootmoeder werd overgelaten, ontwikkelde hij een enorme hekel aan zijn stiefvader. Uit Newtons persoonlijke aantekeningen blijkt dat hij Smith echt gehaat heeft. Zijn moeder lijkt wel degelijk van de jonge Isaac gehouden te hebben,[17] maar de gebeurtenissen hebben hem voor het leven getekend. Toen Newton later studeerde inCambridge beschreef hij een incident waarbij hij gedreigd heeft om zijn moeder en stiefvader met huis en al in brand te steken. Aangenomen wordt dat het gevoel van afwijzing door zijn moeder en stiefvader en het feit dat hij bij zijn grootmoeder werd achtergelaten van grote invloed op zijn ontwikkeling en moeilijke karakter waren.[18]
Tot zijn zestiende volgde Newton zijn lagere- en middelbareschoolopleiding inGrantham, waar hij bekend werd door zijn fraaie mechanische modellen: poppenmeubels voor meisjes, een kar met handaandrijving voor de inzittende,zonnewijzers,windmolens envliegers metlantaarns die hij 's nachts opliet.
Isaac Newton in 1702, door Godfrey Kneller (National Portrait Gallery)Borstbeeld van Isaac Newton (Bolton, Sarah K. Famous Men of Science. NY: Thomas Y. Crowell & Co., 1889)
Toen Newton tien jaar was, werd zijn moeder voor de tweede maal weduwe en keerde ze terug naar Woolsthorpe. Hij kreeg er een halfbroer en twee halfzussen bij. Newton erfde de bibliotheek met theologische boeken die Smith in de loop der tijd had opgebouwd. Smith was een welvarend man geweest en dat leverde de familie Newton ook na diens overlijden goede inkomsten op. Newton had al een stuk land ontvangen toen Smith en Ayscough trouwden, en erfde later via zijn moeder nog meer van het land van Smith.[19] Zijn moeder hoopte dat haar oudste zoon het landbouwbedrijf dat ze van haar tweede man had geërfd, zou uitbaten. Het boerenbedrijf boeide Newton echter helemaal niet en hij vroeg om verder te mogen studeren.
In 1661 begon Newton zijn studie aan hetTrinity College, Cambridge. Hij werd toegelaten alssubsizar wat inhield dat hij tegen een verminderd collegegeld diensten verrichtte voor rijkere studenten zoals eten serveren, schoenen poetsen en hulp met aankleden (valet-taken).[20] Dit veranderde in 1664, toen hij een beurs vanCambridge won waarvan zijn lesgeld en onkosten (zoals verblijf en eten) werden betaald en wat daarnaast ook een financiële toelage of zakgeld omvatte.[21] Newton had een goede relatie met zijn kamergenoot,John Wickins.[22]
De ontmoeting met de wiskundigeIsaac Barrow maakte een diepe indruk op hem. Hij bestudeerde er onder andere deElementen vanEuclides, deGeometria vanDescartes, deArithmetica infinitorum vanWallis en deDialogo vanGalilei.
In 1669 werd hij benoemd totLucasian professor, dat wil zeggenhoogleraar wiskunde aan deUniversiteit van Cambridge, een leerstoel ingesteld doorHenry Lucas. In die tijd moesten alle wetenschappers van de universiteiten van Oxford en Cambridge gewijde geestelijken van deAnglicaanse Kerk zijn, maar bij deze leerstoel werd bij wijze van uitzondering vereist dat de hoogleraar niet als zodanig actief zou zijn, waarschijnlijk om meer tijd voor de wetenschap vrij te kunnen maken. Newton vroeg en kreeg vankoning Karel II ontheffing van de verplichting om tot geestelijke gewijd te worden. Newton was namelijk in het geheim aanhanger van hetUnitarisme, een verbodenketterij in die tijd. Zo werd een conflict tussen Newtons godsdienstige opvattingen en de Anglicaanse kerk vermeden.
Newton werd in 1672 eenFellow of the Royal Society (FRS) en was van 1703 tot 1727 voorzitter van dit wetenschappelijk genootschap.
In 1696 verhuisde Newton naarLonden ommuntmeester (aanvankelijkWarden of the Mint) te worden.[23] Hij pakte het werk op zijn gebruikelijke systematische manier aan, hermuntte alle Britse munten met groeven op de zijkant om het snoeien van munten onmogelijk te maken en bestreed onder meervalsemunters, die soms ter dood veroordeeld werden. Van 1699 tot zijn dood was hijdirecteur van de Munt (Master of the Mint). Voor zijn werk bij de Munt werd hijgeridderd doorQueen Anne in 1705. In 1717 zorgde Newton voor de overgang van hetpond sterling van de zilveren naar degouden standaard die bijdroeg aan dewelvaart van Engeland. Door dit werk werd Newton rijk. Wel verloor hij £20.000 aan despeculatiegekte van deSouth Sea Company. Newton verklaardethat he could not calculate the madness of people (dat hij de waanzin van mensen niet kon berekenen).[24]
In zijn persoonlijke leven was Newton volgens een deel van zijnbiografen eenexcentrieke persoonlijkheid.[25] Illustratief voor zijn onbegrensde nieuwsgierigheid is het verhaal dat Isaac Newton zo ver ging een rijgnaald langs zijn eigen oogbal tot aan het bot van zijn oogkas te steken om zo de werking van hetmenselijk oog te achterhalen.[26]
Isaac Newton schreef in 1675 in een brief aan zijn collega-onderzoeker en rivaalRobert Hooke het volgende:
Als ik verder heb gezien dan anderen, komt dat doordat ik op de schouders vanreuzen stond.
Aan het einde van zijn leven schreef Newton zichzelf te zien als een jongen die op het strand speelde en zich vermaakte door een nog gladdere steen of mooiere schelp te vinden, terwijl de grote oceaan van de waarheid onontdekt voor hem lag.
Werkkamer van Isaac Newton aan de Universiteit van CambridgeVoorpagina van dePhilosophiae Naturalis Principia Mathematica
Newton schreef van 1684 tot 1686 dePhilosophiae Naturalis Principia Mathematica in hetLatijn, beter bekend als dePrincipia. Hierin beschreef hij wat nu dewetten van Newton heten, waarmee hij de grondlegger werd van deklassieke mechanica. De wetten van Newton definiëren de basisbegrippenimpuls (hoeveelheid beweging,massa ×snelheid),kracht enmassatraagheid in hun onderlinge samenhang waarmee, anders dan in de fysica van bijvoorbeeldAristoteles, een kwantitatieve beschrijving envoorspelling van beweging mogelijk is. Het centrale idee van de gravitatietheorie, dat lichamen met massa elkaar aantrekken, was volstrekt nieuw. Bovendien werd dezehypothese wiskundig geformuleerd.
Hij kon, gebruikmakend van de wetten, de banen vanplaneten om dezon nauwkeurig narekenen. Deempirische wetten voorplaneetbanen, dieJohannes Kepler al tussen 1609 en 1619 had ontdekt en geformuleerd als dewetten van Kepler, kregen hiermee een theoretische basis. De baan van dekomeet Halley, alsmede de vorm van de staart konden er ook mee worden verklaard.
Degetijdenbewegingen kon Newton met dezelfde wetten verklaren, uit deaantrekkingskracht van demaan en die van de zon. De door hem ontwikkelde nieuwe wiskunde, de differentiaalrekening, speelde bij dit alles een instrumentele rol.
Tijdens depestepidemie in 1666 moest de jonge Newton zijn studie inCambridge onderbreken en keerde hij terug naar zijn geboorteplaats. Uit die periode stamt de anekdote van de appel en de maan. Hij bestaat in vier versies en wordt door verschillende schrijvers uit die tijd genoemd. John Conduitt, de man van Newtons nichtje Catherine Conduitt, schreef dat Newton op zijn ideeën over zwaartekracht kwam in deboomgaard bij zijn moeder, waar hij een appel uit een boom zag vallen. Newton bedacht daarop dat dezelfde zwaartekracht van de aarde zover reikt, dat het de maan in haar baan houdt. Hierdoor brak Newton met het tweeduizend jaar oude idee van Aristoteles dat op aarde (bijvoorbeeld voor een appel) en in dehemel (voor een hemellichaam als de maan) anderenatuurwetten gelden.
De schrijver William Stukeley noteerde een gesprek uit 1726 in zijnMemoirs of Sir Isaac Newton's Life waarin Newton zelf zich herinnerde hoe het begrip gravitatie in hem op kwam:
Het werd veroorzaakt door het vallen van een appel, toen ik zat te peinzen.
De appelboom buiten zijn werkkamer in Cambridge herinnert aan de anekdote van de appel en de maan en is een stek van de oorspronkelijke boom bij Newtons familieboerderij. Er heeft een schuurtje gestaan, waarin Newton zijn alchemistische experimenten uitvoerde. Ook op het terrein van National Physical Laboratories inTeddington, ten zuidwesten van Londen, staat een boom die volgens de overlevering gekweekt is uit eenzaadje van de legendarische appelboom waaruit Newton een appel zag vallen.
Naast dePrincipia publiceerde hij deOpticks, een werk overoptica in hetEngels.
Newton toonde aan dat wit licht is samengesteld uit alle kleuren van deregenboog met zijn bekendeprisma-experiment: verder ontleden van die kleuren bleek niet mogelijk en samengevoegd leveren deze kennelijk elementaire kleuren weer wit licht op. Ook zijn experiment met denewtonschijf toont dit aan.
Licht bestond volgens Newton uitdeeltjes, waarmee hijbreking enweerkaatsing van licht verklaarde. Dit deeltjesmodel werd later vervangen door hetgolfmodel van zijn oudere tijdgenootChristiaan Huygens, dat interferentie makkelijker kon verklaren.
Pas in de 20e eeuw werd er toch weer een deeltjesaspect onderkend aan licht - hetfoton -, dankzij Albert Einsteins bijdragen aan hetfoto-elektrisch effect en dekwantummechanica.
Ter voorkoming vanchromatische aberratie ten gevolge van kleurschifting, die bij breking doorlenzen onvermijdelijk is, bedacht en construeerde Newton deNewtontelescoop, die nog steeds toegepast wordt.
Newton beschreef ookdiffractie (buiging) van licht - het experiment met de stoffigespiegel - dat in 1801 doorThomas Young werd verklaard, al was het dan met het golfmodel.
Newton vond onafhankelijk een andere formulering van delenzenformule.
Voor dewarmteleer formuleerde Newton eenwet voor afkoeling, waarbij de afkoelsnelheid evenredig is met hettemperatuurverschil met de omgeving. De temperatuur van een heet voorwerp daalt daardoorexponentieel in de tijd tot de omgevingstemperatuur is bereikt. Een eeuw later zou deze afkoelwet worden uitgewerkt doorJoseph Fourier, om te beginnen met deWet van Fourier, en vervolgens met een wiskundig geavanceerdeThéorie analytique de la chaleur.
Newton kan niet als de grondlegger van dehydrodynamica worden beschouwd (dat wasBlaise Pascal), maar hij beschreef wel het gedrag van wat nunewtoniaanse vloeistoffen heten, die eenviscositeit hebben die onafhankelijk is van deschuifspanning. Deze beschrijving zou zonder de differentiaalrekening ondenkbaar zijn.
Als de som van de krachten op een voorwerp nul is, dan is deversnelling nul. Een voorwerp beweegt dan met een constante snelheid in een rechtelijn, of is in rust.[27]
Een andere formulering van de eerste wet:
Als er geen netto kracht werkt blijft een voorwerp volharden in zijn bewegingstoestand, namelijk hetzij eenparig rechtlijnige beweging of stilstand.
Om de bewegingstoestand van een voorwerp te veranderen is een resulterende kracht nodig die ongelijk is aan nul. Deze resulterende kracht is devectoriële optelsom van alle krachten die op het voorwerp inwerken.
De verandering in beweging (impuls) van een voorwerp is gelijk aan de resulterende kracht die op het voorwerp werkt. Deze verandering volgt de rechte lijn waarlangs de kracht werkt.[28] In formulevorm:
.
met de kracht innewton, de impuls, die het product is van de massa inkilogram en desnelheid in en de afgeleide naar de tijd. Meestal is de massa m van het voorwerp constant. Dan vereenvoudigt de tweede wet tot:
,
met deversnelling in de richting van de kracht in. De eerste wet vormt een bijzonder geval van de tweede, te weten het geval als dan.
De tweede wet definieert de eenheid van kracht in massa, afstand en tijd: 1 N = 1kg m/s2.
Met "resulterende" kracht in een bepaald punt wordt de nettokracht bedoeld die overblijft als alle krachten in dat punt bij elkaar zijn opgeteld, rekening houdend met grootte én richting.
Als een voorwerp A een kracht uitoefent op een voorwerp B, dan oefent voorwerp B een even grote, gelijktijdige en tegengesteld gerichte kracht uit op A en omgekeerd.[29] De derde wet wordt beknopt geformuleerd als 'actie = reactie', maar dit is misleidend daar het om een gelijktijdig krachtenpaar gaat: er is geen actie voorafgaand aan eenimpuls.
Een voorwerp van 1kg waarop een constante nettokracht van 1 N wordt uitgeoefend, zal na 1 seconde een snelheid van 1m/s in de richting van de kracht erbij hebben gekregen, na 2 seconden 2m/s, na 3 seconden 3m/s, enzovoort.
Aan een voorwerp, dat op de harde ondergrond ligt, wordt door de zwaartekracht van de wel heel veel meer massieve aarde getrokken. Het veel minder massieve voorwerp trekt echter volgens de derde wet in combinatie met de gravitatiewet even hard aan de veel grotere aarde. Het voorwerp blijft stilliggen, omdat zowel het voorwerp als de aarde harde materialen zijn.[30]
Omdat volgens de zwaartekrachtwet de zwaartekracht evenredig is met de massa van het voorwerp, hebben alle voorwerpen in vrije val in het luchtledige op dezelfde plaats dezelfde constante versnelling. Op het aardoppervlak bedraagt deze ongeveer 9,81m/s², aan de evenaar iets minder.
De toepassing van identieke wetten op 'hemelse' en 'aardse' verschijnselen betekende een fundamentele breuk met de tweeduizend jaar oude theorie van de oude Grieksenatuurfilosofen: volgens hen waren de wetten die op de aarde van toepassing waren anders dan de 'hemelse' wetten die in het heelal golden. De bevindingen van onder anderenTycho enKepler dat de planeten zich inelliptische banen bewogen in plaats van in de meer 'volmaakte' cirkel stuitten daarom op veel weerstand. Ook de ontdekking vanGalilei dat de zonzonnevlekken bevatte werd met ongeloof en zelfs agressie ontvangen door de toenmalige intellectuelen. Newton toonde met zijn zwaartekrachtswetten onweerlegbaar aan dat in het heelal dezelfde natuurkundige regels van kracht waren als op de aarde.
In de loop van de 18e en 19e eeuw zou deklassieke mechanica in wiskundig opzicht aanzienlijk uitgebreid worden door grootheden alsLeonhard Euler,Lagrange,Laplace enWilliam Hamilton. Het wetenschappelijke wereldbeeld werd steeds meerdeterministisch. Het scherpst werd dit geformuleerd door Laplace, die in 1814 stelde dat het in principe mogelijk moet zijn om vanuit het heden de helegeschiedenis en de heletoekomst van hetuniversum langs rekenkundige weg vast te stellen. Aan het eind van de 19e eeuw kwam destatistische mechanica erbij, die nog uitging van in essentie deterministisch gedrag van een zeer groot aantal deeltjes; deze is vooral bruikbaar voorgasmoleculen.
Een staaltje van het voorspellend vermogen van de gravitatietheorie werd gegeven toen de nauwkeurigheid van waarnemingen van planeetbanen in de loop van de 19e eeuw toenam. Er werden afwijkingen ten opzichte van de 'klassieke' baan vanUranus waargenomen. Dit leidde tot de hypothese van het bestaan van een nog onbekende planeet, die met zijn eigen zwaartekrachtveld de baan van Uranus in het zwaartekrachtveld van de zon verstoorde. In 1846 werd inderdaad een planeet, dieNeptunus zou gaan heten, op de berekende plaats waargenomen.
De grondlegging van de klassieke mechanica was niet alleen voor filosofen, theoretici enastronomen van het hoogste belang, ook de toepasbaarheid in meer praktische zaken kan nauwelijks overschat worden. Tot dan toe bestond technologische ontwikkeling voornamelijk uit knutselen op goed geluk, gebaseerd op praktische ervaring. Sinds Newtons definitie van de basisbegrippen kracht, impuls en massa is het mogelijk geworden natuurwetenschap en technologie te combineren, zodat een technisch ontwerp in relatief eenvoudige gevallen met wiskundige precisie kan worden doorgerekend. In veel andere gevallen kunnen met vereenvoudigde modellen verantwoorde benaderingen worden gerealiseerd. Deeenheid van kracht, denewton, is daarom naar hem vernoemd.
Aan het einde van de 19e eeuw werd (door LordKelvin) wel gedacht dat de kennis van de natuurkunde vrijwel volledig was. Maar juist toen liep de klassieke natuurkunde tegen grenzen aan. Delichtsnelheid bleek in alle richtingen gelijk te zijn (Michelson-Morley-experiment). Indien er een zogenaamdeether als voortplantingsmedium in de kosmos zou bestaan, gekoppeld aan een universeel en absoluutcoördinatenstelsel, dan zou de beweging van de aarde door het heelal een invloed moeten hebben op de gemeten lichtsnelheid. De baan van de planeetMercurius bleek eenrozet in plaats van een ellips zoals deWetten van Kepler uit deWetten van Newton voorspelden. Bovendien bleek Newtons veronderstelling van een uniforme tijd in het universum in strijd te zijn met de pas ontwikkelde algemene theorie van hetelektromagnetisme.
Vanaf 1905 breidde Albert Einstein Newtons beginselen met zijnrelativiteitstheorie wezenlijk uit, en loste die problemen op.
Vrijwel tegelijkertijd constateerdeMax Planck datstralingsenergie niet helemaal continu, maar met kleine pakketjes tegelijk wordt afgegeven. Met de klassieke mechanica kon men dit niet verklaren. Deze pakketjes noemde hij quanta en dat gaf de aanzet tot dekwantummechanica, waarmee het deterministische wereldbeeld werd ondermijnd en de weg werd gebaand voor destatistische benadering van de onderliggende natuurwetten van de materie. Hiermee kon men desubatomaire verschijnselen beter beschrijven en verklaren dan met de 'klassieke' Newtoniaanse wetten.
Behalve voorexacte wetenschappen had Newton ook voor andere onderzoeksterreinen belangstelling.Hoewel Newton zijn roem geheel dankt aan zijn prestaties als natuur- en wiskundige, is hij een groot deel van zijn leven meer bezig geweest mettheologie en andereBijbelsedisciplines dan met exacte wetenschap. Hierin lag zelfs zijn grootste passie. Hij schreef: "Ik heb een fundamenteel geloof in de Bijbel als Gods Woord, geschreven door hen die geïnspireerd waren. Ik studeer de Bijbel dagelijks. Al mijn ontdekkingen zijn gedaan als antwoorden op mijn gebed".[31] Hij schreef veel over onder meer Bijbelsechronologie entekstkritiek. Na zijn dood werden enkele van zijn theologische werken uitgegeven.
Hoewel de wetten van de beweging en de universele zwaartekracht de bekendste ontdekkingen van Newton werden, waarschuwde hij tegen ze te gebruiken om het heelal te zien als een zelfstandige machine. Hij zei: "Zwaartekracht verklaart de bewegingen van de planeten, maar het kan niet uitleggen wie de planeten in beweging heeft gezet. God regeert alle dingen en weet wat wordt of kan worden gedaan."[32]
Naar hedendaagse inzichten was Newton veel bezig met zaken die men nu alspseudowetenschap zou zien, zoalsalchemie. Men vindt dit soms moeilijk te rijmen met zijn algemeen erkende wetenschappelijke verdiensten.[33][34] Newton verschilde daarin niet van de meeste grotegeleerden van zijn tijd. Tot ver in de18e eeuw haddennatuurfilosofen een actieve belangstelling voor alchemie enastrologie. Newtons nagelaten persoonlijke bibliotheek bleek na inventarisatie[35] 126 boeken over alchemie[36] te bevatten, wat duidelijk maakte dat dit een van zijn grote passies was. Dankzij zijn reputatie op het gebied van de alchemie kreeg Newton op instigatie vanCharles Montague de betrekking van ‘warden’ (muntmeester) aan de Koninklijke Munt in Londen.
In 1936 verwierf de econoomJohn Maynard Keynes een groot deel van Isaac Newtons alchemistische manuscripten voor het King's College te Cambridge. 369 boeken uit Newtons persoonlijke bibliotheek hadden een wetenschappelijk karakter, 170 waren werken over deRozenkruisers, dekabbala en alchemie.
Newton had zelf een alchemistische index aangelegd met 100 auteurs, 150 teksten en 5.000 paginaverwijzingen op 900 trefwoorden. Jan Golinski veronderstelde dat Newton dit deed in de hoop er een samenhangend geheel en een samenhangende leer uit te kunnen afleiden. Betty T. Dobbs zei dat Newton de alchemistische literatuur tot de 17e eeuw gedurende 30 jaar zonder onderbreking zeer zorgvuldig had bestudeerd.[37]De biograaf van NewtonRichard Westfall[38] schrijft: "Newton verloor zijn eerste liefde [bedoeld is de alchemie] nooit uit het oog." Westfall gaat ervan uit dat alchemistische overwegingen ook bij NewtonsHypothesis of Light (1675) waren opgenomen en dat Newtons beschouwingen over de banen van de planeten door de alchemie beïnvloed waren. Betty T. Dobbs schrijft:
Zijn herinvoering van het concept van aantrekking in zijn 'Principia', en zijn afwijzing van een zich op de 'Ether' beroepende mechanica als verklaring voor de zwaartekracht leken Westfall en mij een voldoende argument voor de invloed van de alchemie op zijn denken. Veel alchemistische verhandelingen gaan immers uit van niet-mechanische actieve principes die conceptueel vergelijkbaar zijn met de zwaartekrachttheorie van Newton.
John Maynard Keynes, die veel van Newtons alchemistische geschriften had verworven, verklaarde:[39]
Newton was niet de eerste vertegenwoordiger van het tijdperk van de rede, hij was de laatste van de magiërs.
↑Lex I. Corpus omne perseverare in statu suo quiescendi vel movendi uniformiter in directum, nisi quatenus a viribus impressis cogitur statum illum mutare.
↑Lex II. Mutationem motis proportionalem esse vi motrici impressae, et fieri secundum lineam rectam qua vis illa imprimitur.
↑Lex III. Actioni contrariam semper et aequalem esse reactionem: sive corporum duorum actiones in se mutuo semper esse aequales et in partes contrarias dirigi.
↑Geciteerd onder andere in: John Hudson Tiner,Exploring the World of Physics: From Simple Machines to Nuclear Energy, 2006,ISBN 9780890514665, blz. 30: "I have a fundamental believe in the Bible as the Word of God, written by those who were inspired. I study the bible daily. All my discoveries have been made in an answer to prayer."
↑Harrison, The Library of Isaac Newton (Cambridge: Cambridge University Press, 1978), p. 58-78.
↑B. J. T. Dobbs,The Foundations of Newton’s Alchemy, or “The Hunting of the Greene Lyon” (Cambridge: Cambridge University Press, 1975).
↑The Janus faces of genius. The role of alchemy in Newton's thought. Cambridge University Press, 1991.
↑R.S. Westfall,Never at Rest: A Biography of Isaac Newton, Cambridge University Press, Cambridge 1984, p. 315.
↑Keynes, John Maynard (1972). "Newton, The Man".The Collected Writings of John Maynard Keynes Volume X. MacMillan St. Martin's Press. p. 363-4. Engels citaat: "Newton was not the first of the age of reason: he was the last of the magicians."