DeIndo-Europese talen, soms ook welIndo-Germaanse talen genoemd, vormen eentaalfamilie van meer dan 400verwante talen.[1] Indo-Europese talen worden over vrijwel de hele wereld gesproken, maar vinden veelal hun oorsprong in het steppengebied noordelijk van deZwarte Zee en deKaspische Zee.Op grond van de overeenkomsten tussen deze talen is een hypothetischevooroudertaal (proto-taal) geconstrueerd, hetProto-Indo-Europees, vaak afgekort totPIE.
Indo-Europese talen dienen te worden onderscheiden vanEuropese talen.
Aan het begin van de 21e eeuw hadden ongeveer 3 miljard mensen (bijna de helft van dewereldbevolking) een Indo-Europese taal alsmoedertaal, waarmee de Indo-Europese taalfamilie gemeten naar het aantal sprekers veruit de grootste is.[3] De meeste van deze sprekers zijn etnisch gezien nog steedsIndo-Europeanen. Veel mensen spreken daarnaast een Indo-Europese taal alstweede taal. Vaak is dit hetEngels, de belangrijkste taal in de wetenschap, internationale handel en politiek en veruit de meest gebruiktelingua franca.
In1583 viel het dejezuïetThomas Stephens op dat bepaalde talen die inIndia werden gesproken (met name hetKonkani) veel overeenkomst vertoonden met hetLatijn enOudgrieks. Hij schreef hierover in een brief aan zijn broer, die pas eeuwen later is gepubliceerd. De eerste die hetSanskriet aan een studie onderwierp was de ItaliaanFilippo Sassetti, die het in India opviel dat veel Sanskrietwoorden overeenkomsten vertoonden met het Italiaans, bijvoorbeeld devaḥ/dio ("god"), sarpaḥ/serpe ("slang"), sapta/sette ("zeven"), aṣṭa/otto ("acht"), nava/nove ("negen"). Vooralsnog leidde geen van beide ontdekkingen tot nadervergelijkend onderzoek.[4]
De volgende taalkundige die de overeenkomsten tussen de Indo-Europese talen opmerkte was de NederlanderMarcus Zuerius Boxhorn. Hij construeerde echter zijn eigen prototaal, die hij hetScythisch noemde. Boxhorn plaatste onder meer hetNederlands,Duits,Grieks,Latijn,Farsi (Parsi) en later ook deKeltische,Slavische enBaltische talen in dezelfde taalgroep. In de jaren 60 van de18e eeuw deed de Franse paterGaston Cœurdoux een uitgebreid onderzoek naar de overeenkomsten in devervoeging van werkwoorden tussen het Sanskriet, Latijn en Grieks. Twintig jaar later vergeleekWilliam Jones de vier oudste talen die in die tijd bekend waren (Latijn, Grieks, Farsi en Sanskriet) opnieuw, waarnaThomas Young in 1813 voor het eerst de term "Indo-Europees" gebruikte.[5] Deze term is sindsdien de standaardbenaming geworden. Alleen inDuitsland wordt iets vaker de in 1810 doorConrad Malte-Brun bedachte term "Indo-Germaans" gebruikt.[6]
ZieIndo-Europeanen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
De Indo-Europese talen stammen af van het Proto-Indo-Europees. Het is niet zeker waar die taal zijn oorsprong heeft. In de vroegste theorieën, van taalkundigen alsJames Parsons enWilliam Jones, werd het gebied van oorsprong gesitueerd inArmenië.[7] De meeste latere theorieën plaatsen de woonplaats van de sprekers ervan ergens ten noorden van deZwarte Zee op dePontische steppe, rond 6000 jaar geleden. Men spreekt in dat verband wel van deKoergan-expansie.[8] Er is echter ook een hypothese dat het Indo-Europees er al eerder was, zo rond 9000 jaar geleden, en dat de groei van deze taal te danken was aan de uitvinding van de landbouw in Anatolië.[9] Deze verklaring negeert echter geheel het paard en de invasie uitZuid-Rusland inBulgarije. Een ander probleem met de Anatolische hypothese is dat ze voorbijgaat aan het feit datKlein-Azië destijds overwegend werd bewoond door volkeren met een niet-Indo-Europese achtergrond, zoals deHattiërs.[7] Eenglottochronologisch onderzoek van2003 van Russel D. Gray en Quentin D. Atkinson scheen deAnatolische hypothese opnieuw te bevestigen. Het artikel van Gray en Atkinson is echter zeer omstreden onder specialisten. De methode die ze hebben gebruikt is zeer onnauwkeurig. Zolang er geen veel nauwkeuriger analyse van de Anatolische theorie is, lijkt deKoerganhypothese dan ook waarschijnlijker. Volgens een eveneens omstreden theorie is het Proto-Indo-Europees ontstaan als tak van een nog oudere en grotere proto-taal, hetNostratisch.
De huidige linguïstische diversiteit van de Indo-Europese talen is het grootst inCentraal- enOost-Europa. Ze is aanzienlijk kleiner inIndia enIran, waar deIndo-Iraanse talen duidelijk nauwer aan elkaar verwant zijn dan aan de Indo-Europese talen in Europa. Dit is een mogelijke aanwijzing dat de eerste sprekers van wat later de Indo-Europese talen zouden worden in het huidige Oost-Europa leefden en zich van daaruit in allerlei richtingen hebben verspreid. Op grond van de huidige Indo-Europese talen zijn voor het PIE woordengereconstrueerd die passen bij een leven in dezegematigde streek, zoals de PIE-woorden voor "winter", "sneeuw" en "koud", namen van bomen als "beuk" en "berk" en dierennamen als "wolf", "beer" en "hert".[10]
Algemeen wordt aangenomen dat de verspreiding van de Indo-Europese talen rond500 v.Chr. een hoogtepunt had bereikt. De Indo-Europese taal met het meest oostelijke taalgebied was toen hetTochaars, dat in het westen vanChina werd gesproken. Ook veel plekken waar tegenwoordigAltaïsche talen worden gesproken behoorden destijds tot het Indo-Europese taalgebied, dat dus zowel grote delen van Europa als van Azië omvatte.[11]
Naarmate de Indo-Europese talen zich verder verspreidden door heel Europa, verdrongen ze niet alleen talen uit andere taalfamilies die daar al eerder werden gesproken maar soms ook elkaar. Zo zijn deKeltische talen, die aanvankelijk wijdverbreid waren in West-Europa, bijna geheel verdrongen door deGermaanse enRomaanse talen.[12]
Toen in de16e eeuw het tijdperk van deEuropese kolonisaties was aangebroken, verspreidden enkele Indo-Europese talen (met name hetFrans,Spaans,Portugees enEngels) zich naar nagenoeg alle overige delen van de wereld. Vaak verdrongen ze de taal van degekoloniseerde landen grotendeels of geheel. Mede door het ontstaan van deze "reuzentalen" heeft tegenwoordig circa de helft van de helewereldbevolking een Indo-Europese taal als moedertaal.
Laat-Proto-Indo-Europese taal volgens de Koerganhypothese.
Verspreiding tot halverwege het derde millennium v.Chr.
Verbreiding tot halverwege het tweede millennium v.Chr.
Er bestaan veel verschillende visies op de ontwikkeling van de Indo-Europese taalfamilie. Er bestaan wel tendensen, zoals het rekenen van het Italisch en het Keltisch tot een subgroep. Over andere talen bestaat qua classificatie echter discussie.Het glottochronologisch onderzoek van Gray en Atkinson uit 2003 (en vervolgonderzoeken) leverde een stamboom van de taalfamilie op die afwijkt van de meest gangbare, hoewel er meerdere variaties bestaan. De schattingen voor de oudste aftakking, die naar de Anatolische groep, ondersteunen duidelijk de Anatolische hypothese. Er is echter een aantal aftakkingen rond 7000-6000 jaar geleden. Het is daarom goed mogelijk dat de familie eerst in Anatolië ontstaan is, maar dat een groep die het gebied later verlaten heeft verantwoordelijk was voor een Koergan-expansie.
Uit hetProto-Indo-Europees, de gereconstrueerde voorouder van de Indo-Europese talen, zijn deze taalfamilies ontstaan (in chronologische volgorde) (K toontkentumtalen,Ssatemtalen,† is uitgestorven):
Het Grieks, Albanees en Armeens behoren dus tot de Indo-Europese taalfamilie, maar deze drie talen hebben geen rechtstreekse verwantschap met een van de bovengenoemde subgroepen of met elkaar. Vermoed wordt daarom dat het de laatst overgebleven talen uit andere subgroepen zijn.
Een aantal Indo-Europese talen dat in deoudheid werd gesproken is onvoldoende bekend om het goed in dit schema te passen. Dit geldt met name voor:
Behalve individuele talen (zoals hetTochaars,Oudpruisisch,Cornish enThracisch) zijn ook enkele Indo-Europese (sub-)subfamilies in de loop van de geschiedenis helemaal uitgestorven:
Vroeger was de meest elementaire tweedeling van de Indo-Europese talen die in kentum- en satemtalen. Deze indeling is gebaseerd op het feit dat de Proto-Indo-Europese *ḱ zich in sommige talen heeft ontwikkeld tot een k-klank en in andere talen tot een s-klank. Zo is het woord voor 100 in hetLatijn,centum, (oorspronkelijke uitspraakkentum) en hetequivalent hiervan in hetAvestisch (eenIraanse taal):satəm. Dezepalatalisatie vanvelareplosieven is een van de meest typerende verschillen tussen de beide Indo-Europese subgroepen. Ditk/s-onderscheid werd aanvankelijk vooral gezien als geografisch gebonden, omdat de kentumtalen uitsluitend in het westen leken te worden gesproken en de satemtalen uitsluitend in het oosten. Dit idee kwam echter op losse schroeven te staan toen men in het begin van de 20e eeuw hetTochaars ontdekte. Dit is een van de meest oostelijk gesproken Indo-Europese talen, maar ook een kentumtaal.
De Germaanse talen, waar onder andere het Nederlands bij hoort, behoren tot de kentumtalen, hoewel dat niet direct is te zien. De 'k' heeft zich in het Germaans namelijk vialenitie verder ontwikkeld tot een 'ch' of 'h'-klank. Het Nederlandse woordhonderd is dan ooketymologisch verwant met het Latijnsecentum (uitspraak 'kentum'), zoals ookhond enhoofd enhebben verwant zijn aan respectievelijkcanis,caput encapere
Gaandeweg werden dewerkwoordsvormen van het PIE steeds meer als een samenhangend geheel gezien. Dit leidde tot het uitbreiden en herstructureren van hetaspectsysteem in veel Indo-Europese talen. Het resultaat hiervan was de meer gebruikelijke indeling van werkwoorden zoals die uit het Oudgrieks of Latijn bekend is. De verleden tijd in deGermaanse talen is ontstaan uit hetperfect aspect, die in principe alleen bij basiswerkwoorden voorkwam. Maar ook bij afgeleide werkwoorden ontstond gaandeweg de noodzaak het perfect aspect uit te kunnen drukken, wat uiteindelijk leidde tot het ontstaan vanzwakke werkwoorden.
De volgende tabel bevat de gereconstrueerdevervoeging in deonvoltooid tegenwoordige tijd van het Proto-Indo-Europese werkwoord *bʰer- ‘dragen’ samen met de equivalente proto-vormen in de verschillende Indo-Europese taalgroepen:
Wat opvalt is dat de vervoeging in veel Indo-Europese subgroepen is verschoven van eensynthetische naar eenperifrastische omschrijving, en dat hetonderwerp geregeld wordt weggelaten (zie ookanalytische taal enpro-droptaal). In veel talen (maar niet in het Engelsebear) is ook de oorspronkelijke betekenis ‘dragen’ veranderd.
In de loop van de Europese geschiedenis hebben een aantal Indo-Europese talen een tijdlang als lingua franca binnen Europa en daarbuiten dienstgedaan. Deze lingua franca was in het algemeen ook de meest dominante taal in het betreffende taalgebied. Hoewel de meest dominante taal lange tijd hetLatijn was, was er nooit echt een taal die alle andere talen compleet overheerste. Belangrijke Indo-Europese lingua franca's waren of zijn:
Beekes, Robert S.P.,Vergelijkende taalwetenschap. Een inleiding in de vergelijkende Indo-europese taalwetenschap, Amsterdam: Het Spectrum, 1990.
Fortson IV, Benjamin W.,Indo-European language and culture. An introduction, 2de dr., Malden (Massachusetts): Wiley-Blackwell, 2010.ISBN 1405188960
Gimbutas, Marija,The civilization of the Goddess. The world of Old Europe, San Francisco: Harper, 1991.
Mallory, J.P.,In search of the Indo-Europeans. Language, archaeology and myth, Londen: Thames & Hudson, 1989.ISBN 0500276161
Meier-Brügger, Michael, m.m.v. Matthias Fritz en Manfred Mayrhofer,Indogermanische Sprachwissenschaft, 10de dr., Berlin: Walter de Gruyter, 2021ISBN 3110174332
Russel D. Gray en Quesntin D. Atkinson, ‘Language-tree divergence times support the Anatolian theory of Indo-European origin’,Nature 426 (2003), blz. 435-439.
Pereltsvaig, AsyaLanguages of the world: An introduction, 4de dr., New York: Cambridge University Press, 2023.
Stevenson, Victor,Atlas van de Europese talen: geschiedenis en ontwikkeling, 3de dr., Utrecht: Het Spectrum, 1990.