Onder invloed van het expressionisme doet het vrije vers zijn intrede in de poëzie. Men onderscheidt verder enerzijds het"humanitair" expressionisme waarbij de betekenis van het literaire werk voor de gemeenschap centraal stond, en anderzijds het "organisch" expressionisme, waarbij het primair gaat om de verwevenheid van inhoud en vorm en het autonome karakter van het werk, los van de maker ervan. De voornoemde aanduidingen zijn bedacht doorPaul van Ostaijen.[1]
Belangrijke Duitse expressionistische dichters:Gottfried Benn,Ferdinand Bruckner,Theodor Däubler,Iwan Goll,Georg Heym,Else Lasker-Schüler,Alfred Lichtenstein,Oskar Loerke,Ernst Stadler,August Stramm,Georg Trakl,Jakob van Hoddis,Franz Werfel,Alfred Wolfenstein,Albert Ehrenstein.
In het begin van de 20e eeuw protesteerde de jonge Duitse generatie tegen de verstarde wilhelministische burgerij, tegen kapitalisme, imperialisme, nationalisme, industrialisering en mechanisering van het leven. Er ontstond een apocalyptisch levensgevoel, opgeroepen door de angst die men ondervond door enerzijds de moderne beschaving en anderzijds de rampzalige ervaring van W.O. I. Dit levensgevoel leidde tot radicaal nieuwe uitdrukkingsvormen en zelfs een nieuw mensbeeld. In schril contrast tot de esthetische stijlen van rond de eeuwwisseling trad nu op agressieve wijze dit op de mens afstormende ‘razende leven’ in de literatuur binnen. Op een provocant zakelijke manier werden dood, verval, waanzin, zelfdoding, verrotting, executies en het lijden van de gebroken en geheel overstuur zijnde mens beschreven. Tegelijkertijd rees uit deze visie het pathetische verlangen naar een revolutie van een vernieuwde, door individualiteit en menselijkheid gevormde bestaan als mens.
De bekende almanak van de kunstgroep Der Blaue Reiter werd het belangrijkste manifest van het expressionisme. Ook werden de expressionisten door zowel het symbolisme als door het Italiaansefuturisme beïnvloed. Tegenover het esthetische van hetsymbolisme en de haar navolgende stromingen stelde men het pathos van het verzet, de intensiteit van het gevoel, de impulsen van het onstuimige leven en de oproep tot een fundamentele vernieuwing. Typerend hiervoor zijn de titels van de belangrijkste expressionistische tijdschriften: het reeds aangehaalde 'Der Sturm' (1910-32), 'Die Aktion' (1911-32) en 'Die weißen Blätter'(1914-21).
Tot in W.O.I was vooral lyriek de belangrijkste uiting van het Duitse expressionisme. Er verschenen dichtbundels van Georg Heym, Georg Trakl, Else Lasker-Schüler, Gottfried Benn, Ernst Stadler, enz.Het meeste invloed had evenwel de bloemlezing 'Menschheitsdämmerung' (Het schemeren van de mensheid), in 1920 uitgegeven door Kurt Pinthus. Het eerste gedicht van deze bloemlezing - 'Weltende' van Jakob van Hoddis - zette direct de toon en werd wereldberoemd.
In de tweede fase van het Duitse expressionisme (vanaf 1915) werd vooral het drama als uitdrukkingsvorm verkozen. Hierbij denken we vooral aanOskar Kokoschka,Walter Hasenclever,Ernst Toller en de vroegeBertolt Brecht. Typisch voor dit drama is het oplossen in losjes verbonden beeldseries (denk aan het ‘Stationendrama’). Ook uitgebreide monologen, lyrisch-hymnische sequenties en getypeerde figuren zijn kenmerken van dit drama, net als gebaren, dans, pantomime, het tijdloze kostuum en het abstracte podiumbeeld.
Voor het expressionisme was W.O.I een ingrijpende gebeurtenis. Vele schrijvers, zoals Georg Trakl en Ernst Stadler kwamen om. In de plaats van een ambivalente houding kwam een eerder radicaal pacifistische houding bovendrijven. In de RussischeOktoberrevolutie van 1917 zagen enkele auteurs het utopische ideaal van de verbroedering van de nieuwe mens langzaamaan geconcretiseerd worden. Na 1921 verloor het Duitse expressionisme zijn betekenis. De redenen hiervoor zijn tweeërlei: naast het verlies van impulsen uit de jeugd, waren ook de politieke en sociale verwachtingen stukgeslagen. Deze ommekeer uitte zich literair in de Nieuwe Zakelijkheid.
Wat voor deschilderkunst geldt, geldt ook voor deliteratuur. In het gedicht 'Vlam' vanHendrik Marsman wordt niet zozeer een indruk van iets beschreven, maar een gevoel uitgedrukt met behulp van allerlei beelden. Bij de schilderkunst wordt gesproken over 'deformaties', dit is het gebruik van "verkeerde" kleuren en vormen. Het literaire equivalent daarvan is het aantasten van hetklassieke vers. Dit is een gedicht metrijm,metrum, vaste strofebouw en nog veel meer regeltjes. De zogenoemde vrije verzen van het expressionisme hebben deze kenmerken niet of in veel mindere mate. Bovendien maakt de normale zinsbouw vaak plaats voor onvolledige en ongrammaticale zinnen, en verdwijnen hoofdletters en interpunctie. Ook vindt men woordcombinaties als 'groen duister', 'violette schemer' en 'blauw geluk' (citaten van Marsman). Dit alles dient om de emotie of gedachte zo direct mogelijk te uiten, zonder de belemmeringen van het traditionele taalgebruik.Het expressionisme in de Nederlandse literatuur werd gekenmerkt door een zich afzetten van deTachtigers en (vooral inVlaanderen) een afzetten tegen het tijdschriftVan Nu en Straks. De expressionistische schrijvers hekelen immers de individualistische burgerlijke cultuur, die volgens hen in die stromingen naar voren werd geschoven.
Dé belangrijkste persoon voor het expressionisme in de Nederlandstalige literatuur isPaul van Ostaijen. Met zijnMusic-Hall uit1916 luidde hij een nieuwe tijd in binnen de Nederlandstalige literatuur. Hierin experimenteert hij met ritmische typografie en een dynamische schikking van de tekst en weerklinkt de oproep tot een universele verbondenheid van het mensdom.
Andere belangrijke Nederlandstalige auteurs die in de geest van het expressionisme hebben geschreven zijn:Marnix Gijsen,Wies Moens,Gaston Burssens,Karel van den Oever,I.K. Bonset enVictor Brunclair. Het belangrijkste literaire tijdschrift dat voor expressionistische literatuur stond, heetteRuimte (1920-1921).
Expressionistisch te noemenproza, met een scenische structuur, stilistische beknoptheid, syntactische concentratie en afwezigheid van psychologische explicaties, is vrij zeldzaam in de Nederlandstalige literatuur. Een Nederlands voorbeeld is de bundelNovellen (1920-22) uit 1924 vanRoel Houwink. De zes short story's in de bundelDe Bries (1929) vanAlbert Kuyle zijn eveneens te typeren als expressionistisch.Theo van Doesburg legde zich in het literaire tijdschriftHet Getij toe op expressionistisch proza,[2]. Ook de eerste romans vanF. Bordewijk -Blokken (1931),Knorrende beesten (1933),Bint (1934) enRood paleis (1936) - zijn met het expressionisme in verband gebracht, onder anderen door de auteur zelf. Bordewijk meende dat "de maximale omvang die een expressionistische stijl gedoogt" metRood paleis was bereikt. Het expressionistische karakter ontleent dit proza onder meer aan stijlprocedés als een elliptische, geconcentreerde uitdrukkingswijze met behulp waarvan een grotesk deformerend werkelijkheidsbeeld wordt opgeroepen, een vitalistisch-personifiërende beeldspraak en een afwijkende woordvolgorde in overwegend korte zinnen.[3]