De theorie van Metsjnikov dat bacteriën ingefermenteerdemelkproducten het leven zouden verlengen heeft aan de basis gelegen voor het wetenschappelijk onderzoek rondomprobiotica.
Hij ging naar de Universiteit vanCharkov omnatuurwetenschap te studeren, en maakte het vierjarig curriculum in twee jaar af. Hierna ging hij naarDuitsland om zeefauna te bestuderen opHelgoland en daarna aan de universiteiten vanGießen,Göttingen enMünchen. In 1867 keerde hij terug naar Rusland als docent aan de nieuwe universiteit vanOdessa, gevolgd door een aanstelling aan deuniversiteit van Sint-Petersburg. In 1870 ging hij terug naar Odessa om titulair hoogleraarzoölogie en vergelijkende anatomie te worden.
Zijn eerste vrouw Ljoedmilla Fjodorovitsj leed aantuberculose waaraan ze in 1873 overleed. Haar dood, samen met andere problemen, deden hem een onsuccesvolle zelfmoordpoging doen met een grote dosisopium. Hij trouwde opnieuw in 1875, en zijn tweede vrouw kreeg in 1880tyfus, wat leidde tot een tweede zelfmoordpoging. Hij werd er erg ziek van.
Hij raakte geïnteresseerd in de studie vanmicroben en speciaal hetimmuunsysteem. In 1882 nam hij ontslag in Odessa en zette een eigen laboratorium op inMessina om vergelijkendeembryologie te bestuderen, waar hijfagocytose ontdekte na experimenten met delarven vanzeesterren. Zijn theorieën waren radicaal:Witte bloedcellen konden schadelijke lichaampjes als bacteriën verslinden en vernietigen. De ‘gesofisticeerde’ microbejagers in het westen —Pasteur,Behring, etc. — bespotten de Rus en zijn theorie.
Metsjnikov keerde in 1886 naarOdessa terug als directeur van het eerste Russische bacteriologisch instituut dat opgezet was omvaccins tegentuberculosecholera enhondsdolheid te ontwikkelen en verspreiden. Na wat moeilijkheden ging hij in 1888 weg en vertrok naarParijs om Pasteurs advies te vragen. Pasteur gaf hem een aanstelling aan hetPasteur-instituut, waar hij de rest van zijn leven bleef. Aan dat instituut zette hij het onderzoek naarfagocytose voort. In 1904 werd hij daar adjunct-directeur.
Metsjnikov enÉmile Roux waren de eersten die ontdekten dat de wonden vansyfilispatiënten deTreponema pallidum bacterie bevatten en dat de ziekte overgedragen kan worden op apen. Ze onderzochten de effecten van eencalomelhoudende zalf ter behandeling van syfilis.
Rond 1900 ging Metsjnikov ervan uit dat de complexe microbiële flora in hetcolon een slechte invloed had op de gastheer. Bij anaerobe afbraak van proteïnen in het colon zouden rottingsbacteriën toxische stoffen produceren. Hij veronderstelde dat diverse ziekten zoalsatherosclerose,dementie en zelfsveroudering in zijn algemeenheid, veroorzaakt werden door deze "autointoxicatie". Metsjnikov poneerde als eerste de term "dysbiose" om de overgroei van pathogene darmbacteriën te beschrijven.
Metsjnikov ontdekte dat het regelmatig gebruik vanmelkzuurbacteriën in gefermenteerdezuivelproducten, zoalsyoghurt, geassocieerd was met gezondheid en ouderdom inBulgaarse plattelandgemeenschappen.[1] Hij schreef dit, geïnspireerd door het werk van de Japanse wetenschapperMinoru Shirota, toe aan deBacillus bulgaricus, die ontdekt werd door de Bulgaarse artsStamen Grigorov. Zuurvorming door melkzuurbacteriën zou de groei van de rottingsbacteriën tegengaan.
De wetenschappelijke onderbouwing voor het gebruik van melkzuurbacteriën beschreef Metsjnikov in het boek "Essais optimistes" uit 1907[2] en in een publicatie uit 1908.[3]
Overtuigd van zijn theorie gebruikte Metsjnikov dagelijks gefermenteerde zuivelproducten tot hij in 1916 op 71-jarige leeftijd overleed.
Na zijn dood heeft het lang geduurd voordat zijn theorie omtrent melkzuurbacteriën wetenschappelijk serieus werd genomen. In de periode rondom de beide Wereldoorlogen deden slechts enkele wetenschappers, vooral Russische onderzoekers, wetenschappelijk onderzoek naar het therapeutisch gebruik van micro-organismen. In de jaren 60 van de twintigste eeuw ontstond hernieuwde belangstelling en werd het begrip "probioticum" geïntroduceerd als benaming voor micro-organismen met een verondersteld gezondheidsbevorderend effect.
Tot Metsjnikovs bekendste publicaties behorenL'immunité dans les maladies infectieuses (1907),Études sur la nature humaine (1903) enEssais optimistes (1907).
De universiteit van Odessa draagt sinds 1945 zijn naam.