

Bodemdaling,bodemverzakking ofsubsidentie is het zakken van het niveau van debodem ten opzichte van een vast referentiepunt, bijvoorbeeld hetNormaal Amsterdams Peil (NAP).
Bodemdaling is een vorm vanbodembeweging. Het tegenovergestelde van bodemdaling isbodemrijzing (of bodemstijging).
Verzakking van de bodem dooroxidatie vanveengronden is een proces dat in Nederland en elders al eeuwen aan de gang is. Bij de ontginning van veengebieden werdenvaarten ensloten gegraven om het veen te ontwateren. Hierdoor werden deze gebieden geschikt voor landbouw. De waterstand zakte zover dat zelfs in bepaalde gebieden akkerbouw mogelijk is geweest. Een voorbeeld hiervan is polderMastenbroek tussenZwolle enKampen. Door oxidatie van veengronden boven de grondwaterspiegel daalde de bodem uiteindelijk tot onder de grondwaterspiegel, waardoor in de omliggende gebiedenveenpolders ontstonden. Deze bodemdaling is in de twintigste eeuw doorgegaan. Om het dalen van de bodem tot een minimum te beperken wordt de waterstand in veel veengebieden zo hoog mogelijk gehouden, waardoor dat gebied alleen nog maar voor veeteelt te gebruiken is.
In veengebieden waar woonwijken gebouwd worden, wordt vaak dewaterspiegel wat verlaagd in verband met deze woningbouw. Hierdoor komt naast de directe inklinking door het lagere watergehalte, ook meer lucht, en daarmeezuurstof, in de bodem, waardoor de organische bestanddelen (humus) worden verteerd en de bodem inzakt. Het is niet ongebruikelijk dat de bodem in zo een wijk in een paar decennia 30 cm zakt. Doordat huizen en sommige bruggen - door middel vanheipalen - zijngefundeerd op diepliggende bijna niet zakkende zandlagen, ontstaan grote problemen met rioleringsbuizen en gas- en drinkwaterleidingen, die wel met het veen meezakken. Het gevolg van deze ongelijke zakking is dat elke 10 tot 20 jaar alle aansluitingen in dit soort veenbuurten moeten worden vernieuwd.
Ookkleigronden klinken in. Kleigronden ontstaan door opslibbing. De kleine korreltjes worden aangevoerd doorzeeën enrivieren en zakken naar beneden wanneer de stroomsnelheid te laag wordt. Deze gronden bevatten dan ook aanvankelijk veel water. Wanneer het water door ontwatering uit deze gronden verdwijnt, komen de kleideeltjes dichter op elkaar te zitten en daalt de bodem.
Plaatselijke verzakking van de bodem kan optreden als gevolg van ondergrondsesteenkoolmijnbouw. Dit heeft bijvoorbeeld in deOostelijke enWestelijke Mijnstreek inNederlands-Limburg en hetKempens Bekken inBelgisch-Limburg in de twintigste eeuw geleid tot min of meer ernstigemijnschade. Als gevolg vanaardgaswinning is de bodem in de Nederlandse provincieGroningen – en in mindere mate de omliggende gebieden – gaan zakken. De grootste bodemdaling door aardgaswinning, circa 0,3 meter, heeft zich voorgedaan rondLoppersum, ruim 10 km westelijk vanDelfzijl. Behalve door winning van aardgas kan bodemdaling ook optreden door het winnen vanzout. Bij de winning van zout (haliet) uit de bodem ontstaan holtes welke door de verticalegronddruk van bovenliggende bodemlagen kunnen instorten. Hierbij kan aan de oppervlakte bodemdaling optreden. Dramatische gevolgen hiervan deden zich o.a. rond1900 in het Oost-DuitseStaßfurt voor, waar de gehele binnenstad moest worden gesloopt.
De bodem met alles daarop (dijken, bruggen, wegen, huizen etc.) daalt door aardgaswinning. Het grond- en oppervlaktewater in sloten en kanalen blijft op dezelfde hoogte door de beheersmaatregelen vanwaterschappen en stijgt dus ten opzichte van de omringende bodem.Dijken enbruggen zouden daardoor moeten worden verhoogd. Om dit te voorkomen, wordt het waterpeil naar beneden gebracht. Omdat de bodem niet gelijkmatig daalt, is het betreffende gebied ingedeeld in schillen. Op de rand van deze schillen zijn of wordengemalen gebouwd.
Tot nu toe zijn binnen het gebied van het waterschapNoorderzijlvest de volgende gemalen gebouwd:
Binnen het waterschapHunze en Aa's is hetGemaal Rozema gebouwd.
Bodeminklinking heeft in sommige streken geleid tot omkeren van hetreliëf. Dekreken of rivierbeddingen van waaruit de kleigronden het slib ontvingen lagen aanvankelijk lager. De beddingen bestaan echter uitzand omdat de stroomsnelheid hier altijd veel hoger was. Nadat de kreek of rivierbedding definitief drooggevallen is doorinpoldering en de kleigronden ontwaterd werden, zijn de zandige beddingen nauwelijks ingeklonken, in tegenstelling tot de omliggende kleigebieden. Tegenwoordig steken deze beddingen uit boven dekomkleigebieden.
Ook dijken en kades ondervinden problemen door bodemdaling.Veenkades kunnen bijvoorbeeld aan sterke daling onderhevig zijn, soms met wel 2 cm per jaar. Daarom moeten deze kades ook om de paar decennia opnieuw opgehoogd worden – met als gevolg plaatselijk grotere verticale gronddruk en bodemdaling. Ook dijken die op andere ondergrond gebouwd zijn, komen lager te liggen, deels ook doorhorizontale deformatie. Vaak is dit in de orde van 1 cm per jaar.
Ter vergelijking: 1 cm per jaar is 100 cm per eeuw en dat is ongeveer twee keer zoveel als de door de wetenschappers vanIPCC verwachtezeespiegelstijging voor de komende eeuw.
Als gevolg van de bodemdaling door gaswinning komen in Groningen en Drenthe sinds 1986aardschokken voor. Van 1986 tot 2014 zijn er ongeveer 1000 aardbevingen geregistreerd.
Het verwachte niveauverschil voor de komende eeuw is 1,5 m (1 m door bodemdaling + 0,5 m - sommige bronnen geven hiervoor ook 1,5 m aan - door zeespiegelstijging). Deze combinatie van zeespiegelstijging en bodemdaling gaat met name voor West Nederland een steeds groter probleem worden. Het verhogen van dijken, zoals bij deDeltawerken, is technisch geen probleem maar financieel wellicht niet haalbaar.
Niet alleen in Nederland is bodemdaling een probleem, ook in veel anderedeltagebieden in de wereld komt het voor. Voorbeelden zijn onder andereBangkok,Tokio, gedeelten vanCalifornië,Shanghai,Venetië,Jakarta enManilla.