
Barotrauma (ICD-10:T70.0-T70.2) wordt veroorzaakt door verschillen tussen de omgevingsdruk en de druk in luchthoudende (lichaams)holten.
Om een longoverdruk te bekomen is gemiddeld een overdruk van 0,6 tot 0,8bar nodig, maar in sommige uitzonderlijke gevallen (bijvoorbeeld als gevolg van aandoeningen) kunnen deze waarden omlaag gaan.
Dit komt met name voor bijduikers (zoweloverdruk alsonderdruk) en in mindere mate bij klimmers (alleen overdruk) of mensen die vliegen.
De oorzaak van deze drukverschillen is de wetmatigheid dat het volume van eengas omgekeerd evenredig is met dedruk van het gas. Dit is dewet van Boyle.
Bij het duiken kan bij het afdalen een onderdrukbarotrauma ontstaan. Alleen bij het opstijgen metperslucht kan overdrukbarotrauma ontstaan, als men opstijgt zonder uit te blazen.
Barotrauma (drukverwonding) kan in de volgende situaties voorkomen:
Klimmers kunnen op grote hoogte last krijgen van overdruk in bijvoorbeeld de holten ondertandvullingen.De holten die bij duikers tot letsel kunnen leiden zijnoren,longen,sinussen,duikbril, plooien in hetduikpak en tandvullingen.