Movatterモバイル変換


[0]ホーム

URL:


Jump to content
WiktionaryThe Free Dictionary
Search

vastmaken

From Wiktionary, the free dictionary

Dutch

[edit]

Etymology

[edit]

Fromvast +‎maken.

Pronunciation

[edit]
  • IPA(key): /ˈvɑstˌmaː.kə(n)/
  • Audio:(file)
  • Hyphenation:vast‧ma‧ken

Verb

[edit]

vastmaken

  1. (transitive) toattach,fasten
    Synonym:sluiten(to make firm, settle)
    Antonym:losmaken

Conjugation

[edit]
Conjugation ofvastmaken (weak, separable)
infinitivevastmaken
past singularmaakte vast
past participlevastgemaakt
infinitivevastmaken
gerundvastmakenn
main clausesubordinate clause
present tensepast tensepresent tensepast tense
1st person singularmaak vastmaakte vastvastmaakvastmaakte
2nd person sing. (jij)maakt vast,maak vast2maakte vastvastmaaktvastmaakte
2nd person sing. (u)maakt vastmaakte vastvastmaaktvastmaakte
2nd person sing. (gij)maakt vastmaakte vastvastmaaktvastmaakte
3rd person singularmaakt vastmaakte vastvastmaaktvastmaakte
pluralmaken vastmaakten vastvastmakenvastmaakten
subjunctive sing.1make vastmaakte vastvastmakevastmaakte
subjunctive plur.1maken vastmaakten vastvastmakenvastmaakten
imperative sing.maak vast
imperative plur.1maakt vast
participlesvastmakendvastgemaakt
1)Archaic.2) In case ofinversion.

Descendants

[edit]

Anagrams

[edit]
Retrieved from "https://en.wiktionary.org/w/index.php?title=vastmaken&oldid=81651639"
Categories:
Hidden categories:

[8]ページ先頭

©2009-2025 Movatter.jp