Movatterモバイル変換


[0]ホーム

URL:


Jump to content
WiktionaryThe Free Dictionary
Search

uitstellen

From Wiktionary, the free dictionary

Dutch

[edit]

Etymology

[edit]

FromMiddle Dutchûtestellen. Equivalent touit +‎stellen.

Pronunciation

[edit]
  • IPA(key): /ˈœy̯tˌstɛ.lə(n)/
  • Audio:(file)
  • Hyphenation:uit‧stel‧len

Verb

[edit]

uitstellen

  1. topostpone,defer,delay

Conjugation

[edit]
Conjugation ofuitstellen (weak, separable)
infinitiveuitstellen
past singularstelde uit
past participleuitgesteld
infinitiveuitstellen
gerunduitstellenn
main clausesubordinate clause
present tensepast tensepresent tensepast tense
1st person singularstel uitstelde uituitsteluitstelde
2nd person sing. (jij)stelt uit,stel uit2stelde uituitsteltuitstelde
2nd person sing. (u)stelt uitstelde uituitsteltuitstelde
2nd person sing. (gij)stelt uitstelde uituitsteltuitstelde
3rd person singularstelt uitstelde uituitsteltuitstelde
pluralstellen uitstelden uituitstellenuitstelden
subjunctive sing.1stelle uitstelde uituitstelleuitstelde
subjunctive plur.1stellen uitstelden uituitstellenuitstelden
imperative sing.stel uit
imperative plur.1stelt uit
participlesuitstellenduitgesteld
1)Archaic.2) In case ofinversion.

Derived terms

[edit]

Descendants

[edit]

Anagrams

[edit]
Retrieved from "https://en.wiktionary.org/w/index.php?title=uitstellen&oldid=81651411"
Categories:
Hidden categories:

[8]ページ先頭

©2009-2025 Movatter.jp